Trainingsleer voor de gevorderde lange afstand-loper

Door Bob Boverman (Trainingscoordinator en bondscoach in Nederland van de midden-lange afstand).

Een beginner verbetert zich als het ware per training. De gevorderde loper moet daar al wat meer moeite voor doen, variatie aanbrengen tussen de trainingsvormen bijvoorbeeld, maar voor de vergevorderde en de toploper wordt het echter steeds moeilijker om nog beter te worden, de marges worden namelijk steeds kleiner.
Zo'n loper zal zich de nodige kennis van de trainingsleer eigen moeten maken om zijn prestatieniveau verder te kunnen verhogen. Daar het steeds meer van belang wordt om de intensiteit en de omvang van de trainingen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, is het meer dan eens uitvoeren van een VIAD-looptest aan te raden. Deze VIAD-looptest verschaft die loper de benodigde, essentiële informatie over zijn om slagpunt en drempelsnelheid op dat bepaalde moment in het trainingsproces. Met die gegevens in de hand moet hij in staat zijn dat trainingsproces adequaat te sturen in de gewenste richting.
De gevorderde langeafstandsloper zal, wanneer hij zijn loopprestaties over langere termijn wil verbeteren, enig inzicht in de trainingsleer moeten hebben. Want de duurlopen en intervaltrainingen moeten met de juiste intensiteit, en in goede wisselwerking met elkaar, plaatsvinden. Het prestatieniveau moet regelmatig gecontroleerd worden door middel van testlopen, prestatielopen en wedstrijden. En de training moet steeds bijgesteld worden aan de hand van het actuele prestatieniveau.

De aërobe zone

De energieleverantie bij inspanning geschiedt in ons lichaam via bijzonder op elkaar afgestemde opname-, transport- en verwerkingssystemen. In het bijzonder de regelmatige, evenredige toename van de hartslagfrequentie (hsf) bij toenemende inspanning en de vorming van melkzuur, kan bij de training gebruikt worden om deze processen te controleren. Met de huidige meetapparatuur zijn deze uitstekend te bepalen. Melkzuurbepalingen dienen onder deskundige begeleiding te geschieden.
De bepaling van de hsf kan met diverse hartslag meters c.q. sporttesters tegenwoordig door iedere loper uitstekend zelf worden gedaan. De activiteitszones waarbinnen duurprestaties door lange­afstand-lopers het beste geleverd kunnen worden, vallen in de aërobe zone tot bovenin aan toe (=de aërobe/anaërobe overgangszone). Het z.g. omslagpunt markeert de zone waarin duurprestaties geleverd kunnen worden aan de bovenzijde af (zie afbeelding 1).

De wisselwerking tussen toename van de loopsnelheid en de hartslagfrequentie (hsf). Na het bereiken van de loopsnelheid rondom het omslagpunt (= drempelsnelheid) zal de hsf niet meer evenredig toenemen. De drempelsnelheid heeft te maken met de snelheid van lopen : de constante, maximale snelheid die maximaal 60-65 minuten achtereen volgehouden kan worden en het omslagpunt heeft te maken met de hsf : de hsf die hoort bij de drempelsnelheid. Deze beqrippen kunnen dus door elkaar gebruikt worden.

Precies tot het omslagpunt zijn hsf-metingen vrij zuiver te verrichten.
Daarboven, in de anaërobe zone, zal de hsf niet meer zo regelmatig toenemen als daarvoor en is alleen bruikbaar bij gelijkmatig uitgevoerde tempolopen (tempo duur en interval).
Bij inspanningen onder de aërobe/anaërobe overgangszone c.q. in de aërobe zone zal door voldoende aanvoer van zuurstof het melkzuur slechts geleidelijk toenemen (extensieve tempolopen en duurlopen).
In de anaërobe zone (intensieve tempolopen) hebben we met zulke hoge inspanningen te maken dat er te weinig zuurstof aangevoerd kan worden waardoor de hoeveelheid melkzuur in het bloed aanzienlijk sneller zal toenemen. Melkzuur wordt later in rust of tijdens rustig lopen (herstel-duurloop), als er weer voldoende zuurstof in de spiercellen kan komen, omgezet in brandstof waarmee opnieuw energie vrijge­maakt wordt.
De aërobe energielevering komt al na twee tot drie minuten volledig op gang. In eerste instantie komt de energie daarbij voornamelijk uit de koolhydraat-verbranding.
Bij toename van de duur van de belasting wordt de vetverbranding (in combinatie met koolhydraten) de belangrijkste energieleverant. Zodra de loopsnelheid meer toeneemt, zullen we weer overschakelen op meer koolhydraat-verbranding.
De overgang naar de anaërobe energielevering staat in nauw verband met het individuele duur-prestatievermogen. Hoe beter de trainingstoestand van de loper, hoe later anaërobe energie-reserves worden aangesproken en des te later de melkzuurvorming in het bloed wezenlijk toeneemt (mede afhankelijk van de type spiervezels waarover beschikt wordt).
In afbeelding 2 zien we hoe de, afbuigende, melkzuurcurve zich door training zal verplaatsen.

Alhoewel er individuele verschillen zijn, kan een melkzuur-waarde van 4 mmol als standaard gebruikt worden voor het bereiken van het omslagpunt. Bij een hogere melkzuur-waarde kan de inspanning nog maar kort worden volgehouden (anaërobe gebied).

Het bereiken van de aërobe/anaërobe overgangszone voor de beginner, gevorderde en toploper

Bepaling van de Vermoedelijke Individuele Anaërobe Drempel (VIAD) :

Het niveau (c.q. de vermogens) van de langeafstandsloper wordt naast aanleg bepaald door het aantal looptrainingen dat hij gemiddeld per week verricht. Hiertoe kunnen we globaal de volgende indeling maken :

Het niveau van de loper is bepalend voor de duur waarmee hij op zijn drempelsnelheid (de snelheid rondom het omslagpunt) kan lopen, namelijk : Hierna volgt een aantal tabellen waarmee we, uitgaande van ons eigen niveau, ons eigen individuele omslagpunt en drempelsnelheid kunnen gaan bepalen.
De bepaling van het individuele omslagpunt en de individuele drempel snelheid wordt ook vaak de bepaling van de 'Vermoedelijke Individuele Anaërobe Drempel (VIAD)' genoemd. Dit kan gebeuren door een speciale VIAD-looptest (zie verderop) of door gebruikmaking van ervaringsgegevens. Zo kan de VIAD aan de hand van 'testwaarden' op een 5 km- of 10 km-loop globaal bepaald worden (zie tabellen 3 t/m 6).

Of deze bepaling juist is, kunnen we ook op subjectieve wijze controleren: 'Na ongeveer 10 minuten op de loopsnelheid van de VIAD gelopen te hebben moeten we een ademritme hebben van ongeveer 2 passen inademen en 2 passen uitademen.'
Om objectieve gegevens te hebben, moeten er meerdere VIAD-looptesten worden uitgevoerd.

Afbeelding 3 : VIAD d.m.v. testwaarden op 5 km-testloop, voor lopers van ENIGSZINS GEVORDERD NIVEAU

TESTWAARDEN  5 KM        VIAD IN TIJD PER KILOMETER
-------------------------------------------------
22'45"                       5'00"  (12km/hr)
22'34"                       4'54"
22'22"                       4'48"
21'41"                       4'42"
21'00"                       4'37" (13 km/hr)
Afbeelding 4 : VIAD d.m.v. testwaarden op 5 km-testloop, voor lopers van GEVORDERD NIVEA

TESTWAARDEN  5 KM        VIAD IN TIJD PER KILOMETER
-------------------------------------------------
21'10"                  4'37" (13 km/hr) 
20'52"                  4'33"
20'35"                  4'29" 
20'16"                  4'25" 
19'58"                  4'21"
19'40"                  4'17" (14 km/hr)
19'25"                  4'14"
19'10"                  4'10"
18'55"                  4'07"
18'40"                  4'03"
18'25"                  4'00" (15 km/hr)
Afbeelding 5 : VIAD d.m.v. testwaarden op 5 km-testloop, voor lopers van VERGEVORDERD NIVEA

TESTWAARDEN  5 KM        VIAD IN TIJD PER KILOMETER
-------------------------------------------------
18'30"                 4'00" (15 km/hr) 
18'16"                 3'57"
18'02"                 3'54" 
17'48"                 3'51"
17'34"                 3'48"
17'20"                 3'45" (16 km/hr)
17'07"                 3'42"  
16'54"                 3'40"   
16'41"                 3'37"
16'28"                 3'34"
16'15"                 3'32" (17 km/hr)
Afbeelding 6 : VIAD d.m.v. testwaarden op 10 km-testloop, voor lopers van VERGEVORDERD TOT TOPLOPERS NIVEAU

TESTWAARDEN  5 KM        VIAD IN TIJD PER KILOMETER
-------------------------------------------------
33'30"                 3'32" (17 km/hr) 
32'45"                 3'26"
32'00"                 3'20" (18 km/hr) 
31'15"                 3'15"
30'30"                 3'10" (19 km/hr)
29'45"                 3'05"  
29'00"                 3'00" (20 km/hr)   
De VIAD-looptest :

Bovenstaande testlopen (afbeelding 3 t/m 6) zullen niet altijd in een trainingsprogramma kunnen worden opgenomen. De hierna om­schreven VIAD-looptest (cL.H.B.) loopt staps­gewijs vanaf het onderste gedeelte van de aërobe zone naar de anaërobe zone. Hierdoor zal slechts een kort deel van de testlopen intensief zijn en zal de test goed in ieder loopprogramma op te nemen zijn. De VIAD-looptest bestaat uit 5 tot 6 achtereenvolgende testlopen over afstanden van telkens 800 meter of 1000 meter of 1200 meter.
Uit te voeren op een atletiekbaan of op een uitgezet parcours met markeringen om de 200 meter. Iedere volgende loop gaat steeds 2 seconden per 200 meter sneller dan de vorige en tussen iedere loop wordt steeds exact 50" wandelpauze aangehouden. De loopsnelheid van de vierde of vijfde loop komt overeen met de loop­snelheid bij de VIAD (drempel snelheid). De daarbij behorende hsf komt overeen met de hsf bij de VIAD (omslagpunt). Om een objectief testresultaat te verkrijgen zullen er meerdere VIAD-looptesten afgelegd moeten worden.

De loopafstanden die we kiezen zijn afhankelijk van de ongeveer te verwachten drempelsnelheid, namelijk :

In afbeelding 7 zien we voorbeelden van de loopsnelheid per 200 meter voor de diverse testlopen (de snelheid van testloop 5 komt dus overeen met de te verwachten drempelsnelheid).

Afbeelding 7 : Loopsnelheden voor VIAD-looptesten

Loopsnelheden voor een VIAD-looptest met een te verwachten andere drempelsnelheid zijn uit deze tabel eenvoudig te herleiden.

-------------------------------------------------------------------------------------------
TESTLOPEN OVER RESP. :                    Loopsnelheid per 200 meter bij een te verwachten
800/1000/1200 meter                       drempelsnelheid van respectievelijk :
-------------------------------------------------------------------------------------------
                                    14 km/hr         16 km/hr    18 km/hr    20 km/hr
                                    -------------------------------------------------------
LOOP 1                              59,5"              53"         48"          44"
LOOP 2                              57,5"              51"         46"          42" 
LOOP 3                              55,5"              49"         44"          40"
LOOP 4                              53,5"              47"         42"          38"
LOOP 5 (VIAD)                    51,5"              45"         40"          36"
LOOP 6                              49,5"              43"         38"          34"
--------------------------------------------------------------------------------------------       
Uitvoering VIAD-looptest :

Alvorens met de VIAD-looptest te beginnen, doen we een standaard uitgevoerde warming up met daarin direct aansluitend de eerste loop (=LOOP 1). Na iedere loop houden we exact 50 seconden wandelpauze. We moeten ervoor zorgen dat we tijdens de wandel pauzes op generlei wijze worden afgeleid. De herstelcurves dienen goed vergelijkbaar te zijn. Ook moeten we ervoor zorgen dat we iedere testloop steeds in de juiste loopsnelheid uitvoeren door controle van de 200 meter-tijden, eventueel met behulp van een helper. We nemen direct ná iedere loop de hsf op volgens de '10-slagen tabel' (zie afbeelding 8) en 10 seconden vóór iedere volgende loop opnieuw. Een helper laten we de hsf noteren. Bij gebruik van een speciale hartslagmeter (sporttester) kunnen we de tussentijden en hsf steeds afroepen of zelfs in het geheugen opslaan voor beschouwing na afloop. We zorgen ervoor steeds precies na 50 seconden pauze weer te beginnen.
Conform de testopzet is te verwachten dat we bij LOOP 5 op de loopsnelheid en de hsf van de VIAD komen. Indien we deze ver­keerd hebben ingeschat, bestaat de kans dat we bijvoorbeeld al bij LOOP 4 of eerder zover zijn. We zullen dan de gehele VIAD­looptest moeten inkorten. Bij een volgende testgelegenheid kunnen we de te verwachten drempelsnelheid aan de hand van deze ervaring bijstellen.

Als we tijdens de VIAD-looptest met een loopsnelheid en hsf lopen die boven de VIAD liggen (dat is dus bij voorkeur het geval bij LOOP 6), kunnen we dat heel goed gevoelsmatig controleren. We zullen dan ondermeer moeite hebben met de ademhaling (al gauw minder dan 4 passen voor één in- en uitademing) en een zwaar gevoel in de benen hebben, waardoor het moeite kost om de looptechniek in stand te houden ('technisch breekpunt'). Voor de waarde van de VIAD-looptest is het dan ook geen probleem om bij dergelijke gewaarwordingen de LAATSTE LOOP te onderbreken. Indien we de VIAD te laag hebben ingeschat, kunnen we eventueel een ZEVENDE LOOP toevoegen. Mocht daarbij alsnog blijken dat we toch boven de VIAD zitten dan kunnen we deze loop altijd alsnog onderbreken.

Interpretatie van de VIAD-looptest :
In afbeelding 9 en 10 zien we een VIAD­looptest geregistreerd met de sporttester. Door in afbeelding 10 de onderste punten van de herstelcurves na LOOP 1 (omdat de loper slechts een korte warming up had gedaan heeft hij LOOP 1 langer gemaakt) tot en met 4 te verbinden en door te trekken, kunnen we zien of we bij LOOP 5 minder herstellen. Indien dit inderdaad het geval is, dan weten we dat we bij LOOP 5 net op (indien het herstel niet teveel scheelt) of vóór (indien het herstel duidelijk minder is) de 'Vermoedelijke Individuele Anaërobe Drempel' zitten. Bij het onderhavige voorbeeld zal de VIAD tussen LOOP 4 en 5 gelegen zijn. De loper voelde zich bij LOOP 6 nog goed genoeg en begon daarom voor de zekerheid nog met LOOP 7. Deze loper zal een volgende VIAD­looptest met loopafstanden van 1 000 meter kunnen doen.

Omstandigheden :

De bepaling van de VIAD wordt beïnvloed door de omstandigheden waaronder getest wordt. Zo kunnen weersomstandigheden, ondergrond, kleding, e.d. een rol spelen. De VIAD die onder bepaalde omstandigheden bepaald is, is dan ook alleen bruikbaar bij vergelijkbare omstandigheden. Bedenk dat de resultaten van een test niet nauwkeuriger kunnen zijn dan de nauwkeurigheid waarmee de test is uitgevoerd. We moeten de VIAD niet beschouwen als een star gegeven, maar als een richtlijn bij welke loopsnelheid en hsf bij de individuele loper de aërobe zone overgaat in de anaërobe zone. Door veelvuldige toepassing van de VIAD­looptest zal de waarde ervan toenemen.

Tot besluit :br> Tot zover dit eerste deel over de trainingsleer voor de langeafstandloper.

Afbeelding 8 : Tabel hartslagfrequentie (hsf) volgens '10-slagen' :

De hsf direct ná of vóór de testlopen is goed te meten met de 10- slagen tijd. Bij een hartslag (= slag 0) wordt de stopwatch ingedrukt, daarna worden tien slagen geteld (1,2, etc.) op de tiende slag wordt de stopwatch weer ingedrukt. Aan de hand van de verkregen tijd (" = seconde) kan de hsf-waarde (= aantal slagen per minuut) in de tabel afgelezen worden.

----------------------------------------------
TIJD   HSF        TIJD    HSF       TIJD   HSF
---------------------------------------------
3,1"   194         4,1"   146       5,1"   118
3,2"   188         4,2"   143       5,2"   115
3,3"   182         4,3"   140       5,3"   113   
3,4"   177         4,4"   136       5,4"   111 
3,5"   171         4,5"   133       5,5"   109
3,6"   167         4,6"   130       5,6"   107
3,7"   162         4,7"   128       5,7"   105
3,8"   158         4,8"   125       5,8"   103
3,9"   154         4,9"   122       5,9"   102
4,0"   150         5,0"   120       6,0"   100
In het volgende deel wil ik beschouwen wat het bepalen van de TRAININGS-ZONES betekent voor de TRAININGS-PROGRAMMERING.

Afbeelding 9 : VIAD looptest door L.H.B. op 2 juni '93
Loop 1 = 1200 meter, Loop 2 t/m 6 = 800 meter, Loop 7 = 400 meter

 ------------------------------------------------------
 LOOP       TIJD            Hartslagfrequentie
                        na iedere loop       na 50"
------------------------------------------------------
LOOP 1      5'19"          148              122
LOOP 2      3'25"          153              120   
LOOP 3      3'17"          160              130  
LOOP 4      3'08"          165              136   
LOOP 5      2'59"          173              146  
LOOP 6      2'54"          177              150
LOOP 7      1'23"          170              147
 

Toelichting afbeelding 9 en 10 :
Duidelijk is te zien dat loper L.H.B. een VIAD heeft die gelegen is tussen LOOP 4 en LOOP 5. Geschat komen we uit op een VIAD met een drempelsnelheid van ca. 3:05 voor 800 m (ofwel ca. 3:51 per km c.q. 15,6 km/u) en een omslagpunt van ca. 171 slagen per minuut.

Afbeelding 10 : Hsf-curve van de VIAD-looptest door L.H.B., 2 juni '93

In deel I van de trainingsleer voor de gevorderde lange afstandloper zijn de aërobe zone, de anaërobe zone, de aërobe/anaërobe overgangszone en de Vermoedelijke Individuele Anaërobe Drempel (VIAD) besproken.
Wanneer we een trainingsprogramma gaan opzetten, dan zullen we de diverse looptrainingen in een evenwiehtige verhouding in de diverse zones moeten zien te verrichten.
Belangrijk te weten is, dat het trainen rondom de aërobe drempel (onderste grens van de aërobe zone) en rondom de anaërobe drempel (bovenste grens van de aërobe zone) bepalend is voor een kwalitatieve trainingsbenadering.
De vorige keer heb ik besproken hoe je je VIAD kunt bepalen. Doordat je nu je eigen omslagpunt en je eigen drempelsnelheid kent, ben je in staat het trainingsproces adequaat te sturen. Nu is het zo, dat zodra we boven de VIAD trainen (dus met hoge intensiteit), deze al gauw omlaag zal worden gedrukt, wat het duurprestatieniveau negatief beinvloedt.
De midden-afstandsloper echter zal toch genoodzaakt zijn om ook de nodige trainingen boven de VIAD te verrichten om zijn snelheidsprestatievermogen te verbeteren.
De lange-afstandsloper zal meerdere trainingen net onder de aërobe en anaërobe (VIAD) drempel moeten verrichten.
Vooral door trainingen die net onder de drempels plaatsvinden, zullen de drempelwaarden naar boven toe verschuiven (zie afbeelding 11). Oftewel, we kunnen in een hogere snelheid lopen zonder teveel melkzuur te vormen.
De aërobe drempel ligt globaal gesproken zo'n 40 slagen onder de hartslagfrequentie die bij de VIAD hoort (omslagpunt), wat overeen komt met een intensiteit van circa 75% van de loopsnelheid die bij de VIAD hoort (drempelsnelheid)

LOOPTRAININGSVORMEN :

De relatie loopintensiteit en hartslagfrequentie is dus voor iedere loper verschillend en zal dan ook voor iedereen apart moeten worden bepaald (bijvoorbeeld door de VIADtest).
Zijn deze waarden eenmaal bekend, dan kunnen ze een ideale richtlijn geven voor het samenstellen van de training en/of een loopprogramma. Door uit te gaan van de waarden bij de VIAD kunnen we de looptrainingsvormen binnen een loopprogramma zo verantwoord mogelijk afstemmen.
In afbeelding 12 zien we een overzicht van de duur- en intervaltrainingen uitgezet in een intensiteits-schaal, waarbij de snelheid bij de anaërobe drempel op 100% is gesteld.

Het verschuiven van de drempels en de zones daartussen (= met hogere snelheid daarin kunnen lopen) zal dus vooral plaatsvinden door daar vlak onder te trainen.
Zodra we uitsluitend boven (met te hoge snelheid) een bepaalde drempel/zone trainen zullen we deze naar beneden duwen. Deze 'drempel-trainingen' moeten een belangrijke plaats krijgen binnen de trainingsprogrammering. De marathon loper bijvoorbeeld zal aanvankelijk vlak onder de aërobe drempel moeten trainen om de vetverbranding te verbeteren en de aërobe drempel zo dicht mogelijk naar de anaërobe drempel te verschuiven (dit door de langzame marathon-specifieke duurlooptraining met een hsf die aanvankelijk zo'n 45 slagen onder die van het omslagpunt ligt). Zijn glycogeenvoorraad zal hij door training slechts voor prestaties van omstreeks 90 minuten kunnen opvoeren.
Bij langere duur moet hij voor een groot deel ook op zijn vetverbranding kunnen teren. Koolhydraten (glycogeen) zullen vooral bij hogere snelheden worden verbrand.

Pas wanneer we heel goed getraind zijn, kunnen we onze snelheidsvermogens boven de drempelwaarden meer gaan trainen. Dan zullen we de melkzuurvorming nog beter kunnen tolereren en zal onze buffer-capaciteit tegen melkzuur ook toenemen.
Aangezien onder invloed van training de verhouding tussen loopintensiteit en de melkzuur / hartslagfrequentieprestatiecurve zal verschuiven, zullen we deze van tijd tot tijd opnieuw moeten bepalen. Hierdoor kunnen we ons trainingsprogramma steeds weer opnieuw bijstellen op het actuele prestatievermogen (bijvoorbeeld met VIAD~test en 5 tot 10 kilometer testlopen).

Afbeelding 11

TRAINING BOVEN(v)/ONDER(A) AEROBE/ANAEROBE DREMPELS

vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv 
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 
                 aërobe/anaërobe drempels 
				                                op den duur negatief 
	XXXXXXXxXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX       trainings-effekt, 
	                                            drempels bij lagere loopsnelheid
----------------------------------------------
TRAINING BOVEN(v) DREMPELS
                   ---------------------------
				                                op den duur positief 
			xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx         trainings"effekt, 
			           aërobe/anaërobe drempels drempels bij hogere 
		xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx              loopsnelheid 
		AAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA
                  ----------------------------
TRAINING ONDER(A) DREMPELS
-------------------------------

Afbeelding 12

 
INTENSITEITS-SCHAAL t.o.v. de VERMOEDELIJE INDIVIDUELE ANAEOBE DREMPEL (=VIAD)
---------------------------------------------------
INTENSITEIT   DREMPELS          LOOPTRAININGSVORMEN 
t.O.V. VIAD
---------------------------------------------------
120%                            Korte Extensieve Tempo lopen 
110%                            Midden   "         "     " 
103%                            Lange    "         "     " 
100%            VIAD                                  TEMPO DUUR 
97%                             Duurloop III (DLTIII) SNELLE DUURLOOP 
95%                                                   VLOTTE DUURLOOP 
91%                             Duurloop II (DLTIl)   DUURLOOP IN VLOT 
85%                                                   TOTGEMIDDELD TEMPO 
80%           AEROBE DREMPEL    Duurloop I (DL TI)    LANGZAME DUURLOOP 
75%                             Herstelduurloop (HDLT)

TOELICHTING VAN DE LOOP-TRAININGSVORMEN

Hieronder volgt een omschrijving van de duur- en tempo-trainingen zoals aangegeven in de intensiteitsschaal (afbeelding 12) en zoals deze voor lange afstandlopers met een ENIGSZINS GEVORDERD, GEVORDERD, VERGEVORDERD en TOPLOPERS NIVEAU kunnen worden aangehouden.

-----------------------------------------------------------------------
NIVEAU-INDELING : AANTAL                            DUUR WAAROP 
                  LOOPTRAININGEN                    ROND DE VIAD KAN 
                  PER WEEK                          WORDEN GELOPEN 
-----------------------------------------------------------------------
ENIGSZINS GEVORDERD omstreeks 3 tot 4               omstreeks 35 minuten 
GEVORDERD           omstreeks 4 tot 6               omstreeks 45 minuten 
VERGEVORDERD        omstreeks 6 tot 9               omstreeks 55 minuten 
TOPLOPERS           omstreeks 8 tot 14              omstreeks 65 minuten
------------------------------------------------------------------------

Naast het niveau van de lopers zijn de marges (intensiteit, duur en aantal herhalingen) waarmee we de duurlopen en tempo-lopen doen mede afhankelijk van de afstand van de prestatieloop of wedstrijd waarvoor we trainen.

DUURLOPEN (Hsf=Hartslagfrequentie)

Herstel Duurloop (HD)

  1. Duur :
     
    ENIGSZINS GEVORDERD 10 tot 20 minuten 
    GEVORDERD           15 tot 30 minuten 
    VERGEVORDERD        20 tot 40 minuten
    TOPLOPERS           30 tot 50 minuten
    
  2. Intensiteit : 75-80% van de VIAD (zie afbeelding 12).
  3. Hsf : 40 tot 25 slagen lager dan bij de VIAD.
  4. Doel : Actief herstel van intensieve trainingsvormen (bijv.intervaltrainingen / snelle duurlopen).
  5. Effect : Versnelde afvoer van afvalstoffen van de energiestof wisseling (verbranding van het ontstane melkzuur, warmte-regulatie e.d.).
    Bij herstellopen in de ochtend zal de vetverbranding eerder plaatsvinden.

Duurloop I (DLT 1)

  1. Duur :
    ENIGSZINS GEVORDERD 30 tot 50 minuten 
    GEVORDERD           50 tot 100 minuten 
    VERGEVORDERD      70 tot 150 minuten 
    TOPLOPERS           90 tot 200 minuten 
    
  2. Intensiteit : Omstreeks 80% van de VIAD (zie afbeelding 12).
  3. Hsf bij aanvang opbouwperiode 45 tot 30 slagen lager dan bij de VIAD.
  4. Hsf : in wedstrijdperiode 30 tot 20 slagen lager dan bij VIAD. In tweede deel van marathontraining kan de hsf tot 15 slagen lager dan VIAD komen.
  5. Doel : Voor basis- en gemiddeld niveau-ontwikkeling van het basis-uithoudingsvermogen, bij langere duur tevens scholing van de 'wilsinzet'.
    Voor gevorderden het onderhouden van het basis-uithoudingsvermogen, bij de langere duur tevens scholing van de 'wilsinzet'.
    Met de extra lange duurlopen zal vooral de glycogeenvoorraad worden uitgeput en zal het accent op de vetverbranding liggen. Met deze duurlopen bevinden we ons in het grensgebied van de aërobe drempel.
  6. Effect : Vooral de langere duurlopen bevorderen een efficiënter verloop van de vetstofwisseling in combinatie met de koolhydraatverbranding, de hormonen en enzymenwerking. Ze ontwikkelen de 'langzamere' goed doorbloede spiervezels.

Duurloop II (DLT 2)

  1. Duur :
    ENIGSZINS GEVORDERD 20 tot 40 minuten 
    GEVORDERD           30 tot 60 minuten 
    VERGEVORDERD        40 tot 80 minuten 
    TOPLOPERS           50 tot 90 minuten 
    
  2. Intensiteit : Omstreeks 85-90% (toplopers tot 95%) van de VIAD (zie afbeelding 12).
  3. Hsf : Bij aanvang opbouwperiode 20 tot 1 5 slagen lager dan bij de VIAD.
  4. Hsf tijdens wedstrijdperiode 15 tot 10 slagen lager dan bij de VIAD.
  5. Doel : Deze duurlopen vormen de basismethode om voor het aërobe vermogen te verbeteren Aanvankelijk kunnen met deze duurlopen aanzienlijke verbeteringen van het aërobe vermogen verkregen worden en ze zullen steeds nodig zijn om dit in stand te houden.
  6. Effect : De gemiddelde tot vlotte duurlopen bevorderen de aërobe stofwisseling, de hart/longen/bloed- circulatie, de energie-omzetting van de koolhydraten naar de spieren, de doorbloeding van de spieren (capillarisering) en de enzymenwerking, vooral van de 'langzamere' spiervezels.

Duurloop III (DLT 3)

  • Duur :
    ENIGSZINS GEVORDERD 10 tot 20 minuten 
    GEVORDERD           20 tot 40 minuten 
    VERGEVORDERD      30 tot 60 minuten 
    TOPLOPERS           40 tot 80 minuten 
    
  • Intensiteit : Omstreeks 90-95% (toplopers tot 100%) van de VIAD (zie afbeelding 12).
  • Doel : Met deze intensiteit komen we in het grensgebied van de individuele anaërobe drempel. Voor de beginnende loper heeft het nog geen zin om zo hard te lopen; hij kan zich nog voldoende ontwikkelen met DLTI en DLT2.
    Deze duurlopen verbeteren het aërobe vermogen en de aëroob/anaëroob gemengde systemen (melkzuurtolerantie).
  • Effect: De snelle duurlopen bevorderen in sterke mate de zuurstofopname. Vooral de korte afstanden (15-30 minuten) zorgen voor betere verdraagzaamheid van de ontstane verzuring (=Lactaatvorming). Ze zijn daarom voor de toploper van essentieel belang. De iets langere snelle duurlopen (30 tot 60 minuten) verbeteren in sterke mate de hoogte waarmee we van het maximale zuurstofopnamevermogen (V02 max) gebruik kunnen maken. Ze zijn daarom eveneens voor afstanden langer dan de halve marathon van belang. Ze ontwikkelen tevens de 'snellere' spiervezels. Noot: De tempo-duurtrainingen (met het effect van duurloop 3 en nog meer de melkzuur-tolerantie) zijn ondergebracht bij de lange extensieve tempo-lopen.

    TEMPO-LOPEN

    1. Extensieve Tempo-lopen :
      Deze vinden plaats in het gebied net op en boven de anaërobe drempel (tempo-duurlopen en extensieve Interval-trainingen resp. lang, midden en kort).
      Net als bij DLT 3 zijn deze trainingen alleen bestemd voor lopers die MINIMAAL over een ENIGSZINS GEVORDERD niveau beschikken.
    2. lange Extensieve Tempo-lopen :
      1. Duur :
        ENIGSZINS GEVORDERD 1 tot 3 maal 8 a 3 minuten 
        GEVORDERD           1 tot 6 maal 12 a 3 minuten 
        VERGEVORDERD      1 tot 9 maal 16 a 4 minuten 
        TOPLOPERS           1 tot 12 maal 30 a 4 minuten 
        
      2. Pauze-duur : Hele tot halfwaarde tijd van de inspanningstijd
      3. Intensiteit :
         ENIGSZINS GEVORDERD NIVEAU 95 % - 100% van de VIAD (zie afbeelding 12). Hsf overeenkomstig de VIAD.
         GEVORDERD TOT TOPLOPERS NIVEAU: 97 - 105 % van de VIAD.Hsf overeenkomstig of enigszins boven de VIAD.
        
    3. Midden Extensieve Tempo-lopen :
      1. Duur :
        ENIGSZINS GEVORDERD 3 tot 7 maal 4 a 2 minuten 
        GEVORDERD           4 tot 8 maal 4 a 2 minuten 
        VERGEVORDERD        5 tot 10 maal 5 a 3 minuten 
        TOPLOPERS           6 tot 12 maal 5 a 4 minuten 
        
      2. Pauze-duur : Hele tot halfwaarde tijd van de inspanningstijd
      3. Intensiteit :
        ENIGSZINS GEVORDERD NIVEAU : 97 % - 105 % van de VIAD (zie afbeelding 12).
        GEVORDERD TOT TOPLOPERS NIVEAU : 100% - 11 5 % van de VIAD.
        Hsf rondom tot enigszins boven de VIAD, vooral tijdens tweede deel van de tempo-serie.
        
    4. Korte Extensieve Tempo-lopen :
      1. Duur :
        ENIGSZINS GEVORDERD 8 tot 16 maal 60 tot 30 sec.
        GEVORDERD 10 tot 20 maal 80 tot 30 sec.
        VERGEVORDERD 12 tot 24 maal 100 tot 30 sec.
        TOPLOPERS 14 tot 28 maal 120 tot 30 sec.
        
      2. Pauze-duur : Hele tot halfwaarde tijd van de inspanningstijd.
      3. Intensiteit :
        ENIGSZINS GEVORDERD NIVEAU: 105-115% van de VI AD (zie afbeelding 12).
        GEVORDERD TOT TOPLOPERS NIVEAU: 115% - 125% van de VIAD.
        Hsf enigszins boven de VIAD, vooral tijdens tweede deel van de tempo-serie.

    Doel en effect van lange, midden en korte extensIeve tempo-lopen : de extensieve tempo-lopen komen qua doel en effect grotendeels overeen met DLT 3, alleen wordt met name de hartfunctie meer uitgesproken meegetraind (o.a. betere doorbloeding van de hartspier zelf en hart-volume en hartspier-dikte komen meer tot de juiste verhouding).
    Als we meer rond en boven de anaërobe drempel komen, zal de tolerantie en buffer-capaciteit tegen melkzuur meer worden getraind.

    Intensieve interval-training :

    Dit is een trainingsvorm die ruim boven de anaërobe drempel valt (125% en meer).
    Daartoe nemen we dan ook meer de maximale snelheid of de test- en wedstrijd-snelheid als uitgangspunt. Ze wordt toegepast voor de ontwikkeling van het specifieke uithoudingsvermogen van de wedstrijd lopers op de midden- en lange afstand.
    Vooral deze trainingsvormen dienen onder deskundige begeleiding te geschieden en worden in het kader van dit artikel niet verder besproken.
    Vooral de toplopers op de midden en lange afstand (ook de marathonlopers) zullen een aantal maal (afhankelijk van de trainingsperiode) boven de anaërobe drempel moeten trainen om de tolerantie en buffer-capaciteit tegen melkzuur te verbeteren. (Vooral jeugdige lopers moeten zorgen niet teveel anaëroob te trainen aangezien de orgaan-systemen nog niet volgroeid zijn).

    Ritme-training :

    Om de looptechniek beter te kunnen beheersen, kan ook de beginnende loper al vrij snel kortere intensievere belastingen doen. Met versnellingslopen over ongeveer 10 seconden op 115% tot 130% zal hij door de korte duur niet gauw teveel melkzuur vormen. Met 2 tot 4 series van 3 tot 7 herhalingen van ca. 7 seconden en pauzes in de serie van 1 tot 2 minuten en seriepauzes van 3 tot 5 minuten, kan hij op een veilige manier zijn basissnelheid, ritme en looptechniek verbeteren. De gevorderden kunnen al gauw op dezelfde wijze ritme~lopen tot 20 seconden (met 3 tot 5 series van 5 tot 10 herhalingen) in hun programma opnemen.

    Vaartspel :

    Vaartspel is een combinatie is van ritme-, tempo- en duurlopen.
    Daarom kunnen we een deel van de geadviseerde trainingen daarin onderbrengen (deze voor mij favoriete trainingsvorm zal in een apart artikel besproken worden).

    Bepaling looptempo bij duurloop en tempolooptrainingen :

    Via de intensiteits-schaal (zie afbeelding 12) kunnen we na bepaling van de VIAD de loop-snelheid bepalen voor DLT1, DLT 2, DLT 3 en de EXTENSIEVE TEMPO-LOPEN, rekening houdend met de marges voor het niveau van de loper. Deze snelheden moeten als richttempo worden genomen, waarbij we ten allen tijden rekening lenen te houden met de weersomstandigheden en terrein-gesteldheid (ieder tempo omvat een zekere marge).
    Door in ons trainings-parcours enige afstanden van 200 meter uit te zetten, kunnen we controleren of het juiste tempo wordt aangehouden (na de warming up) door de gewenste kilometer-tijd door vijf te delen. De bijbehorende hartslagfrequenties zullen een uitstekende controle zijn voor de intensiteit van het loopsnelheid.
    Bij duurtrainingen kunnen we het beste van de registratie na 5 tot 7 minuten uitgaan. Bij tempo-lopen beschouwen het gemiddelde van de gehele serie.

    Aantal drempeltrainingen :

    We verbeteren het duurvermogen vooral door vlak onder de drempels te trainen (zie afbeelding 11).
    Het aantal drempel~trainingen dat we kunnen doen is echter beperkt. Het aantal is naast de herstelduur ondermeer afhankelijk van getraindheid, trainingsleeftijd, aantal trainingseenheden, welke loopafstand we willen verbeteren, het herstelvermogen of de herstelbeinvloeding, fasering van de trainingsopbouw e.d.
    Tevens is bepalend of we als Fit-, Prestatie- of als Wedstrijdloper met een loopprogramma bezig zijn. Ook dienen we voldoende looptrainingen in de zone tussen deze drempels te doen (DLT 2).
    Een globale indeling van het mogelijk aantal 'drempeltrainingen' in verhouding tot het aantal trainingseenheden zien we In afbeelding 13.

    We hebben nu een overzicht van de voornaamste loop~trainingsvormen.

    ------------------------------------------------------------
    Afbeelding 13.
    GLOBALE INDELING VAN MOGELIJK AANTAL 'DREMPEL-TRAININGEN'
    ------------------------------------------------------------
    AANTAL               AANTAL                  AANTAL 
    TRAININGEN           TRAININGEN              TRAININGEN 
    PER MAAND            VOOR                    VOOR
                         VERSCHUIVING            VERSCHUIVING
                         VAN DE AEROBE           VAN ANAEROBE 
                         DREMPEL                 DREMPEL
    ------------------------------------------------------------
    12 tot 18             2 tot 3                1 tot 2 
    16 tot 24             3 tot 5                2 tot 4 
    22 tot 34             4 tot 8                3 tot 6 
    30 tot 48             5 tot 12               4 tot 8
    ------------------------------------------------------------ 
    

    Alvorens de trainingsbouwstenen (duur- en tempolopen) toe te gaan passen, is enig inzicht in het herstel na diverse trainingsvormen (en wedstrijden) gewenst.

    Herstel en training

    Het herstel rondom en binnen het trainingsproces vindt op diverse momenten plaats.

    Het effect van de training berust op het aanpassingsvermogen van ons organisme, dat reageert op de diverse prikkels die de trainingen op het hormoon- en zenuwstelsel uitoefenen.

    Trainingsprikkels werken als verstoringen van de homeostase (onder homeostase wordt verstaan de instandhouding van de biochemische toestand van het interne milieu van het organisme, zoals de zuurgraad, de lichaamstemperatuur en dergelijken) en zijn de oorzaak van adaptieve veranderingen van het actieve en passieve bewegingsapparaat, en van het hart/longen/bloedsomloop-systeem.
    De overcompensatie die na de juiste vorm en duur van het herstel ontstaat, zorgt voor de verbetering van onze conditionele vermogens. Afhankelijk van het soort spierarbeid ontstaan daarbij verschillende aanpassingsfenomenen, waarbij de aanpassingscapaciteit van de verschillende conditionele vermogens verschillend is.
    Daar waar snelheid maar kan toenemen tot ongeveer 20%, kunnen kracht (tot 360%) en uithoudingsvermogen (tot 650 %) in een onvergelijkbaar grotere mate worden ontwikkeld.
    Voor de lange afstand loper betekent dit dat hij de loopafstand in training aanzienlijk kan verlengen of de loopsnelheid over een zelfde tijdsduur behoorlijk kan verbeteren (bijvoorbeeld zijn tijd op de halve marathon).

    Intensiteit en kwaliteit

    De intensiteit (loopsnelheid) en de kwantiteit (loopduur) van de trainingsbelasting zijn de criteria waarvan de herstelduur afhankelijk is. Het lopen is het resultaat van het" voor", "aan"(contractie) en ontspannen van de spieren c.q. spiervezels. Deze mechanische energie wordt geproduceerd door de opname, het verwerken en het transport van de zuurstof, het voedsel, het adenosine triphosfaat (ATP) en het creatine phosfaat (CP).
    Om zowel snel als over langere duur te kunnen lopen, is er na iedere training weer een herstelperiode nodig om de energie-voorraden in de spieren te vernieuwen. De energierijke fosfaten (ATP+CP) zijn onontbeerlijk om te kunnen lopen (zelfs een warming up), voordat het zuurstof de spiervezels bereikt worden zij al aangesproken.
    Om maximale snelheden over zestig meter te kunnen bereiken, is een herstelperiode van 2 tot 5 minuten nodig om de voorraden ATP en CP weer aan te vullen.
    Voor de lange afstandloper is vanzelfsprekend de verbranding van koolhydraten en vetten met voldoende zuurstof-aanvoer belangrijker. Echter ook deze energie-leverantie vindt plaats in wisselwerking met de energierijke phosfaten.
    Melkzuurvorming zal versneld plaatsvinden als de voorraad enenergierijke phosfaten minder wordt.

    Glycogeen

    De koolhydraten worden in de vorm van glycogeen in de spieren (gemiddeld 300 gram reserve) en de lever (gemiddeld 100 gram) opgeslagen. Het glycogeen zorgt vooral voor de energie-leverantie bij loopsnelheden waarbij nog net geen versnelde vorming van melkzuur plaatsvindt. Dit is tot net voor de aërobe/anaërobe overgangszone.
    Voor lopers die sneller lopen dan drie uur op de marathon komt dit overeen met de hoogste snelheid waarmee een uur lang kan worden gelopen, voor langzamere maar wel gevorderde lopers komt dit over. een met de hoogste snelheid die gedurende ongeveer vijf en veertig minuten bereikt kan worden.
    Deze snelheid komt overeen met 70 tot 80% van de snelheid waarmee op het maximale zuurstof opname (V02max) vermogen kan worden gelopen. De snelheid met gebruik van de V02max kunnen gevorderde lopers ongeveer 2 tot 3 kilometer volhouden.
    Na een duurbelasting in het looptempo boven de arobe/anaërobe overgangszone kan er tien tot zesenveertig uur (afhankelijk van de mate van getraindheid) nodig zijn om de algehele glycogeenvoorraden weer aan te vullen. Bij trainingen op dezelfde snelheid maar intervalmatig uitgevoerd kan deze herstelperiode tot vijf a vierentwintig uur worden ingekort. Voor de loper die meer wil gaan trainen zullen dan ook intervaltrainingen noodzakelijk zijn om voldoende herstel te kunnen verkrijgen.

    Hartspier

    Vooral bij intervaltrainingen zal het hart meer betrokken zijn bij het herstel van het glycogeen en de glucose en de verwerking van het gevormde melkzuur. Het melkzuur wordt via de nieren en de lever voor 30% weer omgevormd tot glucose en glycogeen. De overige 70% worden 'verbrand' in de mitochondriën van de hartspier (=myocard; de hartspier omvat de hartholtes en zorgen via pompwerking voor de bloed-circulatie).
    Dit geeft tevens het belang aan van een actieve herstelpauze tussen de intervallen en een actieve 'cooling down'. De hartspier zal bij een licht looptempo op 60% van de V02max (=75% VIAD) altijd nog gauw 120 slagen per minuut halen. Aldus zal het melkzuur in de spieren beter worden verbruikt en zal er meer glycogeen en glucose worden gevormd. De actieve cooling down zal al gauw 15 minuten moeten duren om de zuurstofvoorziening binnen de aangesproken spierweefsels weer op voldoende peil te kunnen brengen.

    Herstel van de spieren

    Het herstel tussen de opvolgende trainingseenheden moet voldoende zijn om de spiermassa weer op orde te laten komen. De energievoorraden in de spiervezels worden bij het excentrische gedeelte van de looppas (=landingsfase), vooral bij het heuvelaflopen en bij de extra lange duurlopen, aanzienlijk 'verbruikt'. De voor het herstel van het spierweefsel noodzakelijke, vooral 'dierlijke', eiwitten doen met name tijdens het slapen hun werk. Lopers die tijdens trainingsstages tweemaal per dag trainen zullen dan ook iedere dag een 'siesta' moeten doen.

    Tabellen over wisselwerking tussen herstel en training

    Uit de bovenstaande gegevens moge blijken dat het herstel tijdens, na en tussen de diverse trainingen nog belangrijker is dan de eigenlijke trainingsbelasting zelf.
    In de tabellen 1, 2 en 3 zien we een overzicht van de samenhang die er is tussen herstel en training.

    In TABEL 1 zien we de samenhang die er is binnen een bepaalde trainingseenheid.
    Het herstel binnen de trainingen zal plaatsvinden in de pauze tussen de trainingen.
    Om het beoogde trainings-effect te verkrijgen, zal het herstel niet volledig zijn.
    Het hele herstel zal in de uren c.q.dagen na de training plaatsvinden.

    In TABEL 2 zien we de wisselwerking tussen diverse soorten trainingseenheden en de voornaamste veranderingen en aanpassingen die er plaatsvinden in samenhang met diverse wedstrijd-afstanden.
    In TABEL 3 zien we de herstelduur na en de wisselwerking tussen de diverse soorten looptrainingsvormen.

    VO2maxLS = de loopsnelheid waarmee gelopen kan worden met gebruik van het maximale zuurstofopnamevermogen (2 - 3 km wedstrijdtempo)

    TABEL 1

    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    Doel van de training             Trainingsbenaming            Loopsnelheid        Loopsnelheid         Duur v/d         Duur v/h              Km totaal v/d
                                                                  bij training tov    bij herstel         trainings-        onvolledig            training
                                                                  VO2maxLS                                eenheden          herstel                                                                             
    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    VO2max toename                   Interval-kort                105-100 %           60 %               20" - 60"           30" - 60"              3 - 4     
    VO2max toename                   Interval-middenlang          100-95 %            60 %               1' - 3'             1' - 3'                4 - 6
    VO2max en % van VO2max           Interval-midden + lang       95-90 %             60 %               3' - 8'             1'30" - 4'             6 - 10  
    % van VO2max                     Duurloop-kort = DLT 3        90-85 %             65-70 %            8' - 30'            3' - 5'                10 - 20
    VO2max en glyc. depletie         Duurloop-middenlang=DLT 2    85-80 %             70 %               30' - 60'           5' - 15'               20 - 40    
    -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
    

    TABEL 2.
    Herstelduur en de samenhang tussen diverse trainingseenheden

    -------------------------------------------------------------------------
    Soort training                Trainingsbenaming            herstelduur
    -------------------------------------------------------------------------
    VO2max-toename                Interval-kort                1 - 2 dagen  
                                  Interval-middenlang          2 - 3 dagen
    -------------------------------------------------------------------------
    V02max en % van               Interval-lang                2 - 3 dagen 
    V02max                   
    -------------------------------------------------------------------------
    % van VO2max                  Duurloop-kort=DLT3           3 - 4 dagen  
                                  Duurloop-middenlang=DLT2     tot 6 dagen
    -------------------------------------------------------------------------
    

    TABEL 3

    ------------------------------------------------------------------------------------------------
    Wedstrijdduur         Afstand en niveau         Herstelduur        Verandering in stofwisseling
    ------------------------------------------------------------------------------------------------
    < 30 min                10 km                   8 dagen            Glycogeen-voorraad    
    45 - 60 min             20 km                   8 - 15 dagen       Glycogeen-voorraad
    75 - 100 min            30 km                   15 - 20 dagen      Glycogeen-voorraad en spier-eiwitten
    2 - 3 uur               42 km                   20 - 30 dagen      Glycogeen-voorraad, spier-eiwitten en mineralen
    ------------------------------------------------------------------------------------------------
    

    TABEL 4

    -----------------------------------------------------------
     Dag               M                                      C
    -----------------------------------------------------------
    1          interval-lang                          interval-kort
    2          loslopen                               loslopen
    3          duurloop-kort = DLT3                   interval-lang   
    4          lichte duurloop                        lichte duurloop
    5          interval-middenlang                    duurloop-kort = DLT 3   
    6          ritme-training                         rustdag  
    7          lange duurloop                         interval middenlang 
    -----------------------------------------------------------
    

    De aërobe/anaërobe overgangszone, oftewel de vermoedelijke individuele anaërobe drempel (VIAD) ligt op ongeveer 85% van de VO2maxLS.
    Bij DUURLOOPTRAINING 2 ligt het accent op uitputting van de energierijke substraten. Bij de training met een % van de V02max wordt het vermogen verbeterd om over langere duur met die intensiteit te kunnen lopen. Verdere effecten van de looptrainingen zijn aangegeven in deel 2 van deze serie over de trainingsleer voor de gevorderde loper

    Zie de tabellen 1,2 en 3.
    Aan de hand van TABEL 3 moge het duidelijk zijn dat we terdege rekening moeten houden met het prestatie-niveau van de loper. Voor de een kan 2 uur lO minuten de tijd zijn die benodigd is om een marathon af te leggen, de ander zal met een maximale prestatie tot 25 kilometer komen.
    De toploper zal met een snelheid van bijna 20 km/u op ongeveer 85% van zijn maximale zuurstofopname vermogen lopen, de minder gevorderde loper zal tot omstreeks 65% komen.
    Deze laatste zal meer gebruik maken van zijn vetverbranding. Bij de training voor de lange afstand zullen de lopers van ieder niveau naast de vermeerdering van de glycogeenvoorraad en de verbetering van de aërobe processen, voor een gedeelte gebruik maken van de vetverbranding. Deze vetverbranding kan alleen plaatsvinden in samengang met de aërobe energie-stofwisseling, die tevens zorgt voor het herstellen van de ATP-voorraad.
    Het verbruik van de vetten zal vooral plaatsvinden bij inspanningen van langere duur en met een minder hoog looptempo.
    De extra lange duurlopen voor de marathonloper moeten daarom in de voorbereidingsperiodes in een langzaam tempo worden uitgevoerd, wil het lichaam voldoende ingesteld raken op het verbranden van de vetten.

    Tabel 4. Voorbeelden

    Binnen de herstelperiodes zijn diverse andere trainingsvormen mogelijk, waarvan lichte herstellende duurlopen de herstelduur zelfs kunnen verkorten (bijvoorbeeld loslopen in de ochtend).
    In TABEL 4 volgen twee voorbeelden over de afwisseling in trainingsvormen voor een marathonloper (=M, tijdens de laatste 2 maanden) en een crossloper (=C, tijdens het cross-seizoen).

    Tot zover een overzicht van het herstel(len) in relatie tot de trainingen en wedstrijden. Hierover kunnen uiteindelijk slechts globale marges worden aangegeven, omdat iedere loper op de diverse belastingen verschillend zal reageren. Een en ander is mede afhankelijk van het niveau van de loper, zijn trainings- en kalender-leeftijd, zijn trainingsfrequentie, zijn aanleg, etc.
    Daarnaast hebben we te maken met een aantal psychische en sociale factoren die het herstel sterk kunnen beïnvloeden. Dit geeft tevens aan dat we met voorbeelden van trainingsprogramma's voorzichtig moeten zijn. We kunnen ze slechts als een HULPMIDDEL gebruiken bij het opzetten van een individueel loopprogramma.
    Zo zien we in het voorbeeld van TABEL 4 geen duurlopen in gemiddeld tempo (DLT1 ) aangegeven, terwijl deze trainingsvorm verder in alle looptrainingsprogramma's een belangrijke functie heeft.

    DE INTENSITEIT (LOOPSNELHEID) EN DE KWANTITEIT (LOOPDUUR) VAN DE TRAININGSBELASTING ZIJN DE CRITERIA WAARVAN DE HERSTELDUUR AFHANKELIJK IS.
    HERSTEL TIJDENS, NA EN TUSSEN DE DIVERSE TRAININGEN IS NOG BELANGRIJKER IS DAN DE EIGENLIJKE TRAININGSBELASTING ZELF.