Door Haico Scharn (Runners World)
De basisprincipes van het uithoudingsvermogen zijn al meer dan tachtig jaar bekend en nog steeds overeind gebleven. Het gaat om een reeks prestatiebepalende eigenschappen en de onderlinge wisselwerking. Het belangrijke begrip maximale zuurstofopnamevermogen (VO2Max) staat voorop en kan als volgt worden gedefinieerd :
de maximale snelheid waarmee zuurstof kan worden verbruikt. De VO2-Max geeft aan hoe goed het hart en de bloedsomloop zuurstof naar de beenspieren pompen en hoe goed de been spieren deze zuurstof gebruiken.AANZIENLIJKE VERSCHILLEN
Een volgende eigenschap die wij behandelen, is de bewegingseconomie : de snelheid van zuurstofconsumptie
tijdens submaximale snelheid.
Tijdens het lopen is er een direct verband tussen de loopsnelheid en de zuurstofopname.
Ruwweg kan men zeggen dat voor een snelheid van 12 kilometer per uur een zuurstofopname van 40 milliliter per kg en per
minuut vereist . Voor 20 kilometer per uur bedraagt dit 60 milliliter.
Er bestaan echter aanzienlijke individuele verschillen. Rik van Trigt, in 1995 derde bij de NK triathlon in Almere,
gebruikt bij 12 kilometer per uur slechts 35 milliliter. Een test uitgevoerd in 1988 liet nog een zuurstofgebruik
van 41 milliliter zien.
Derek Clayton, in de zeventiger jaren houder van de beste marathon tijd in de wereld, gebruikte bij
19,5 kilometer per uur slechts 54 milliliter.
Onderzoekers hebben tussen de zuurstofopname bij een submaximale loopsnelheid enerzijds en de 10.000 meter
anderzijds een significante correlatie gevonden.
Op de marathon zijn bij lopers met hetzelfde prestatievermogen echter aanzienlijke individuele verschillen
gevonden in de zuurstofopname bij dezelfde loopsnelheid. Dit kan voor een gedeelte worden verklaard door een betere loopeconomie.
Een andere belangrijke factor is de lactaatdrempel (lactaat is melkzuur).
De lactaat- of anaërobe drempel is de optimale kritische grens van het zuurstofopnamevermogen waarbij de
zuurstofopname en koolzuurafgifte nog juist in evenwicht is. Ofwel : de meest optimale kruissnelheid,
waarbij de verzuring nog net niet excessief stijgt (de man met de hamer !).
Deze grens ligt bij de meeste atleten tussen de 3 en 4 mmol per liter.
De anaërobe drempel is de beste parameter voor afstanden tussen de 5000 meter en de marathon.
Deze waarde bevat meerdere prestatiebepalende factoren : VO2Max, het percentage van de VO2Max (zie hieronder)
en de loopeconomie.
Een verbetering van één van deze factoren zal leiden tot een verbetering van de anaërobe drempel.
De andere elementen zullen altijd onderhouden moeten worden. Anders wordt de beoogde winst weer tenietgedaan.
Een andere belangrijke factor voor het presteren is de vraag welk aandeel van de VO2Max een loper tijdens de
wedstrijdduur kan omzetten. De gemiddelde marathonsnelheid hangt af van omgevingsfactoren en parkoers.
Lopers van 2.30 en sneller benutten 80 procent meer. Lopers van 3.20 benutten slechts 70 procent van de VO2max.
.
Wetenschappelijke onderzoeken geven de atleet en de trainer veel trainingsinformatie.
Desondanks speelt de ervaring en het inschattingsvermogen van de trainer een beslissende rol bij het behalen van
het optimale succes. Naarmate de trainingstoestand van de atleet verbetert, neemt bij dezelfde trainingsintensiteit
de prestatieontwikkeling af : beginnende lopers worden altijd beter.
Het is niet belangrijk of men hiervoor duurlopen of intervaltempo's gebruikt.
De mate van succes hangt echter wel af van de trainingsintensiteit.
Voor goed getrainden is een juiste periodisering (specifieke opbouw) van de training belangrijk.
Denk hierbij aan de omvang en kwaliteit van de afzonderlijke elementen van de training en de lengte van de herstelfasen.
Natuurlijk zijn de trainingseffecten van de verschillende parameters onderzocht. Zo werden in Zweden vijf
midden- en vijf langeafstandslopers gedurende een jaar op de loopband gevolgd.
De tijden op de 1500 meter verbeterden gemiddeld van 3.45.00 tot 3.40.08.
De 5000-meterlopers gingen gemiddeld van 14.11 naar 13.43 en de 800-meterlopers toonden geen verbetering
(gemiddelde bleef 1,50). De VO2Max verbeterde wel : van 74,2 naar 77,4 milliliter, een verbetering van 4.5 procent.
Daarvan was 1,3 procent terug te voeren op gewichtsvermindering. Desondanks is dit verschil in de topsport
zeer groot en significant.
De verhoging van deze waarden werd toegeschreven aan een drievoudige verhoging van de trainingsomvang in de
maand mei ten opzichte van de omvang in januari.
De anaërobe drempels verbeterden zich in dezelfde orde van grootte.
Voor de praktijk betekent dit :
de maximale zuurstofopname traint men door het uitvoeren van templopen van 3 ot 5 minuten met
lange pauzes en een intensiteit van 90 tot 100 procent van de VO2max.
LOOPECONOMIE VERBETEREN
In hetzelfde onderzoek is aangetoond dat zowel de loopeconomie bij 20 kilometer per uur als bij 15 kilometer
per uur 3 tot 4 procent verbeterde. Dit onderzoek duurde geen twaalf maanden, maar meer dan twee jaar.
Dit toont aan dat verbetering van de loopeconomie een factor is van de lange adem.
Naarmate men ouder wordt, moet men nog meer tijd uittrekken om de loopeconomie te verbeteren.
Blijf daar om voortdurend aandacht schenken aan uw looptechniek.
Daarbij moeten aanvullend kracht- en rekkingsoefeningen
worden uitgevoerd. Heuvellopen over afstanden van 300 tot 400 meter hebben belangrijke verbeteringen van looptechniek
laten zien.
Bij twee 800-meterlopers en zes 1500/5000-meterlopers werd tijdens het normale
trainingsprogramma vier maanden lang iedere week een test op de loopband uitgevoerd.
De test bestond uit het lopen van 20 minuten met een snelheid die in de buurt lag van een drempel van 4 mmol.
Na iedere training werd de lactaatconcentratie bepaald. Na iedere training werd de lactaatconcentratie bepaald.
Na verloop van tijd werd de loopsnelheid hoger bij 4 mmol.
De lopers die de geringste lactaatverhoging in het bloed lieten zien, behaalden in de wedstrijden de beste resultaten.
De verhoging van de drempel correleerde het beste met een afname van het zuurstofopnamevermogen bij een
snelheid van 15 kilometer per uur.
Voor de praktijk betekent dit ten slotte dat veel trainingsvormen moeten overeenkomen met de wedstrijd
snelheid van een 5000-meterloper, Dit geldt met name voor 10.000-meterlopers en marathonlopers.