Heel wat lopers zouden niet liever wensen dat hun kinderen ook de loopsporen drukken. Voor de jongeren is er vandaag de dag loopgelegenheid genoeg. Maar hoe kunnen volwassenen deze kinderen op een gezonde manier motiveren ? Jongeren lopen immers niet uit gezondheidsoverwegingen of om hun conditie te verbeteren.
De meeste kinderlopen gaan over 1 kilometer. Maar dat gaat niet zonder voorlopers, die het tempo aangeven. De meeste kinderen hebben immers geen enkele notie van tempogevoel. Kijk maar naar de veldlopen. Nog voor de eerste bocht rennen ze zich uit de naad. De drang om toch maar de beste te kunnen zijn, uit zich al vanaf de eerste meters. Daarom bijvoorbeeld houden we de afstand voor de kinderen van het eerste leerjaar op 600 meter, waarbij de eerste 400 meter in groep afgelegd moet worden. Maar in het tweede leerjaar schakelen we naar 1000 meter over, met de eerste 800 meter in groep. Op die manier leren we de kinderen wat kan en niet kan. Voorlopers blijven allernoodzakelijkst. Een goede voorloper start langzaam en voert progressief het tempo op. Het voorlopen mag immers niet ontaarden in een uitgestelde snelle start. De inspanning kan slechts lang volgehouden worden wanneer de intensiteit matig is en er in een regelmatig tempo gelopen wordt. Naarmate de leeftijd vordert, verminderen we de 'voorgelopen afstand', maar het totaal van 1 kilometer blijft behouden."
Uiteindelijk is de kilometer een minimale afstand. Vanaf de leeftijd van 10 jaar mag men opdrijven naar 2 kilometer. Jammer genoeg denken nog heel wat ouders en leerkrachten dat dergelijke afstand boven het petje van de telgen gaat. Niets is minder waar, tenminste wanneer de kinderen er perfect op voorbereid zijn. Zelfs deelnemen aan een jogging in de buurt kan geen kwaad. Ook al bedraagt de afstand 7 kilometer.
"Kinderen die willen lopen, mag men niet opzadelen met oervervelende oefeningen. Het lopen moet attractief blijven. Hoe langer de afstand wordt, hoe belangrijker ook de psychische belastbaarheid. Gezelligheid en gesprek tijdens het lopen zijn zeker toegelaten. Het sociale aspekt van trainen in groep is vooral bij de jongeren een doorslaggevende motivatiefactor.
Ook het element snelheid moet af en toe geprikkeld worden. Iedereen beschikt over een natuurlijk snelheidsvermogen. Kinderen versnellen spontaan over afstanden van 20 tot 30 meter. Voor hen is dat meestal ook voldoende. Wanneer je hen 100 meter laat lopen, komen we in een bepaalde vorm van snelheidsuithouding terecht : goed, maar niet direkt noodzakelijk. Snelheid en uithouding zijn trainingscomponenten die door kinderen goed kunnen geoefend worden. Helemaal ligt het met weerstand. Deze trainingsvorm moet uit het programma gebannen worden. Wel interessant is de fartlek-vorm, ook al omdat hierbij het speelse karakter primeert.
Waardenschaal van de 15 minuten looptest
Hoe goed de ouders zich willen inspannen om hun steentje bij te dragen, toch zal spelen in klasverband altijd veel nuttiger zijn. Wanneer de ouders zelf sportief zijn en het voorbeeld geven, kan er al veel meer bereikt worden. Samen fietsen en zwemmen zijn al interessante activiteiten. Wanneer vader zijn jonge kinderen op training wil meenemen, moet hij er rekening mee houden dat alles in een ontspannen sfeer moet gebeuren. Kinderen die meefietsen wanneer vader zijn looptraining doet, zullen op een speelse manier aan uithouding doen. Wanneer de kinderen een eindje willen meelopen, moet hun inspanning submaximaal blijven. Hun hartfrequentie blijft best beneden 150. Ouders mogen zeker hun eigen trainingsvormen niet naar de kinderen toe kopiëren.
"Zij willen plezier in de beweging vinden en stellen het motorisch kunnen op de voorgrond", zegt ook Herman Van Driessche in zijn brochure "Loopuithouding voor schoolgaande jeugd". Met deze nog steeds actieve marathonloper hadden we het over training voor kinderen van 6 tot 12.
"Kinderen hebben eigenlijk alles mee om in een rustig tempo lange afstanden te lopen. Ze hebben om te beginnen een laag lichaamsgewicht. Hun hart is groot in verhouding met hun borstbreedte. Ook is de verhouding volume/lichaamsgewicht (het hartquotiënt) erg gunstig. Dit quotiënt neemt langzaam af met de leeftijd. Deze afname kan geremd worden door een speelse uithoudingstraining. Ongetrainde volwassenen hebben doorgaans een zeer laag hartquotiënt. Kinderen lopen daarbij zo instinctief dat ze steeds kunne blijven praten. Welke afstand legt een kind niet af op 1 dag ?", stelt Van Aaken zich terecht.
"Dat is dan zeker waar voor kinderen die in de tuin spelen", zegt Herman Van Driessche. "Deze kinderen ontwikkelen nog een natuurlijk loopvermogen. Kinderen uit appartementsblokken zijn op dat vlak minder bevoordeeld. We stellen immers vast dat het natuurlijk loop-element stilaan aan het verdwijnen is. Vandaar het groeiend belang van de speelplaats op school. Het is en blijft de taak van de scholen de kinderen opnieuw te leren bewegen. Vooral bij de kleintjes (eerste leerjaar) zal de oefenstof best bestaan uit speelse oefenvormen, waarin het kind zijn fantasie kan uitleven, met een realtief korte belastingsduur, korte rustmomenten en veel herhalingen. De zeven- en achtjarigen willen zoveel mogelijk trainingsvaardigheden beheersen. Het is de ideale leeftijd om op een gevarieerde en speelse manier looptechniek en ritme te verwerven. Door duurloop (meerdere minuten in een rustig tempo) kan zelfs de spurtsnelheid gunstig beïnvloed worden, omdat ook de coördinatie stilaan verbetert. Omwille van de grote bewegings- en geldingsdrang zal het tevens zeer belangrijk zijn deze kinderen te leren hun krachten te doseren. Pas in de eerste graad van het secundair onderwijs kan het oefenene (de training) echt beginnen. Het is de leeftijdsfase waarin door duurlopen de vitale functies het best kunnen ontwikkelen en de training van het aëroob uithoudingsvermogen het meest effekt oplevert."
Maar dergelijke opdracht mag geen gewoonte worden. Wanneer de lopende vader zijn kinderen iedere week laat deelnemen aan de jogging, gaat hij de verkeerde richting uit. Om te beginnen is er de toenemende prestatiedruk. Het zijn wel joggings, maar er wordt hoe dan ook om ter snelst gelopen. Lopen moet een spel blijven. Daarnaast is er de ondergrond. De overgrote meerderheid van de joggings vindt immers op straat plaats. Niet al te gunstig voor het jonge lichaamsgestel. Vooral pezen en gewrichten lijden nogal onder de belasting. De begrenzing wordt immers hoofdzakelijk bepaald door de anatomische belasting.
Fysiologisch gezien is er echter geen beperking. Insiders zeggen zelfs dat op cardiovasculair gebied kinderen beter een marathonloop kunnen verdragen dan volwassenen. Op een speelse manier lange afstanden in het bos afleggen, daar ben ik dus wel voor te vinden. Daarbij is het ook noodzakelijk dat kinderen met degelijk schoeisel lopen. We zien nog te vaak kinderen met witte gympjes lopen.
Ook de natuurlijke omgeving is mede bepalend voor de aantrekkingskracht van het lopen. Er kan zeker aandacht geschonken worden aan bezienswaardigheden langs het parkoer. Kinderen moeten altijd op een speelse manier kunnen trainen, zonder in zuurstofnood te geraken. Nog altijd zijn er leraars en trainers die de les beginnen met de boodschap : begin maar met 5 rondjes te lopen. Dat kan natuurlijk niet. Er bestaan zoveel speelse vormen die het kind plezierig vindt. Een greep uit de loopvormen voor kinderen van de lagere school :
Om een bepaald trainingseffekt te bereiken is het wel nodig driemaal per week te oefenen. Met één keer per week bereik je geen functionaliteit. Daarom zijn we vurig voorstander van 3 uur Lichamelijke Opvoeding per week. Wanneer men in elk van die lessen een kwartier kan besteden aan uithouding, zitten we op het goede spoor. Die basisuithouding, die voor alle sporten goed is, hoef je niet uitsluitend via lopen te oefenen. Ook zwemmen, fietsen,... zijn uitstekende vormen. De optimale situatie is : geleidelijk opbouwen tot 3 aërobe eenheden van 10 tot 30 minuten per week met een hartfrequentie van 140 tot 160.Leeftijd Jongens Meisjes
Z. goed onvoldoende Z. Goed onvoldoende
7 jaar > 2,6 km < 1,7 km > 2,4 km < 1,6 km
9 jaar > 3,0 km < 1,9 km > 2,7 km < 1,8 km
11 jaar > 3,3 km < 2,1 km > 3,0 km < 2,0 km
13 jaar > 3,5 km < 2,3 km > 3,2 km < 2,0 km
15 jaar > 3,7 km < 2,4 km > 3,2 km < 2,0 km
Daarnaast moeten de ouders hun kinderen aanleren vertrouwen te schenken aan clubtrainers of jeugdbegeleiders. Twee trainingen in de club als aanvullingen op de sporturen in de school zijn meer dan voldoende. Sporttechnisch laten de ouders het werk beter over aan anderen.
Dat het met eerzuchtige ouders al eens verkeerd kan gaan bewijst het meest frappante voorbeeld uit de atletiekgeschiedenis, dat van de Californische Mary Etta Boitano. Op zesjarige leeftijd debuteerde ze op de maraton-afstand in 4hr27'. Ieder jaar verbeterde ze deze prestatie, eerst nog zonder al te veel training. De training werd opgedreven tot ze aan een wekelijks volume van 80 tot 110 kilometer toe was. Precies 11 jaar was ze toen ze de marathon van Boston liep in 3hr01'15". Daarna is het verkeerd beginnen te gaan. Dergelijke training moest op de lange duur sporen nalaten : eerst een stressfactuur, daarna heupklachten. Twee jaar later kapte ze ermee.
Het is dus zeker niet nuttig toekomstige atleten reeds als kind te confronteren met grote hoeveelheden kilometers of met trainingsprogramma's die op volwassenen afgestemd zijn. Zowel om medische als om psychologische redenen.