Mogelijkheden van jonge kinderen om lange afstanden af te leggen zijn bijzonder groot
Er zijn ouders die lopen soms 'tot aan het gaatje'. Door uitputting overmand wankelen zij voort. Hardlopen moet dan wel onmenselijk zwaar zijn. Als goede ouder behoed je je kind daar natuurlijk zolang mogelijk voor... Ten onrechte,
kinderen kunnen heel wat meer aan dan volwassenen denken, als er maar rekening gehouden wordt met hun kind-zijn.
Het lopen van lange afstanden door kinderen blijkt vaak een teer
onderwerp. Vanzelfsprekend bijna, omdat eventuele schade op jonge
leeftijd grote gevolgen kan hebben in het verdere leven. Een
maatschappij wil daarom zijn kinderen in bescherming nemen. Van
lange afstandlopen gaat voor veel mensen kennelijk een bedreiging uit. Voor velen is het alleen al gevoelsmatig een inspanning die niet kinderlijk is. En inderdaad, wanneer we de uitputting zien van veel ouders als ze zelf een stukje
hebben gelopen, wekt dit geen verwondering, Natuurlijk neem je
kind tegen zulke monsterlijke inspanningen in bescherming. Nog
steeds is daarom de overheersende opvatting dat kinderen alleen heel
langzaam, met het klimmen der jaren, tot lange afstanden gebracht
mogen worden.
Jonge kinderen kunnen veel betere duurprestaties
leveren dan veelal wordt aangenomen. Door, jonge,
kinderen kan stapsgewijs toegewerkt worden
naar het volbrengen van een uurloop. Het vraagt
echter vaak veel creativiteit om de
trainingen speels en levendig te
houden. Lopen in groepsverband en
in wisselende terrein-omstandigheden verhogen de
mogelijkheden enorm.
Leerplannen van scholen en trainingsplannen van verenigingen
bevatten dan ook veel sprints en afstanden tot maximaal één kilometer. langere afstanden zouden schade veroorzaken aan de ontwikkeling van het kind, door te grote vermoeidheid en orthopedische belasting, Toch ziet men buiten de officiële leerplannen en voorgeschreven wedstrijdafstanden
steeds meer kinderen deelnemen aan trimlopen, regelmatig terzijde
gestaan door een van de ouders, Mede uit eigen ervaring kan ik zeggen dat het een heerlijk gevoel geeft om samen met je kinderen de
loopsport te beoefenen. Het is daarom niet verwonderlijk dat
steeds meer de vraag naar voren komt: waar ligt de toelaatbare
grens voor m ijn kind? Hoever kan ik stimuleren? Wanneer moet ik afremmen? Ik zal proberen bij voor de beantwoording van deze vragen
wat meer houvast te geven. Té grote stelligheid wil ik daarbij vermijden. Over de orthopedische bezwaren is bijvoorbeeld nog te
weinig bekend om ze zomaar van tafel te vegen. Wel staat vast dat de
mogelijkheden van kinderen om lange afstanden te lopen vele
malen groter zijn dan in de genoemde officiële trainings- en leerplannen is vastgelegd.
Wie eens de moeite neemt om op een zaterdag de bewegingen van
bijvoorbeeld een tienjarig kind te volgen zal waarschijnlijk versteld
staan. De afstanden die kinderen op zo'n vrije dag spelenderwijs
hardlopen lopen op tot 15 kilometer. 's Morgens het spel op
straat, op een holletje naar de voetbalclub, snel teruggelopen om
thuis te vertellen dat juist hij het winnende doelpunt heeft gescoord,
nauwelijks tijd om te eten, want de vriendjes staan alweer klaar voor
het volgende partijtje. Al die tijd is er geen spoor van vermoeidheid te
ontdekken. Niemand kan dan beweren dat kinderen ongeschikt zijn voor duurprestaties. In tegendeel, kinderen zijn aIs geen ander
ervoor geschikt. De hele wereld staat de laatste jaren versteld van
enorme loopprestaties van de Afrikaanse lopers. Vaak wordt als
verklaring verwezen naar hun loopervaring op jonge leeftijd.
Dit zal zeker een grote invloed hebben, maar zij beschikken daar
naast over een aantal andere gunstige eigenschappen:
Maximale polsfrequentie bij zeer hoge belasting.
Voorbeelden uit een trainingsgroep van 36 kinderen.
Wat betekent dit nu voor de trainingsmogelijkheden met onze kinderen?
Ouders die hun kinderen vanaf jonge leeftijd in contact brengen
met sportief bewegen in het algemeen en in het bijzonder met het
plezier van het duurlopen geven hun kinderen iets mee van onvervangbare waarde. Uit bovenstaande getallen is af te leiden hoe snel het vermogen tot
duurprestaties zonder training af neemt. Vooral vanaf de leeftijd van
16 jaar. Kinderen vanaf 5 - 6 jaar kunnen lopen zolang als ze willen
lopen. zonder beperking en zonder schade. Ze bepalen zelf feilloos
hun grenzen, soms na 5 min.,soms na een uur tenminste..... als
wij ze inderdaad in staat stellen om het plezier in het lopen te laten be
houden. Het is noodzakelijk om het kinderlijke bewustzijn aIs uitgangspunt te nemen.
Uurloop
AIs trainingsdoel kan voor gezonde kinderen reeds vanaf de lagere
schoolleeftijd een uurloop gekozen worden. Stapsgewijs kan men
toewerken naar een uur ononderbroken lopen. Het vraagt van de
trainer vaak veel creativiteit om de trainingen speels en levendig te
houden. Lopen in groepsverbanden in wisselende terrein-omstandigheden verhogen de mogelijkheden enorm.
In de eerste les wordt in allerlei vormen 10 x 100 mtr gelopen met
wandelpauzes van 50 mtr De derde les heeft aIs doel 5 tot 10 min. onafgebroken lopen. In de vierde les staat de 15 minutenloop op het programma. Wie
dit haalt krijgt een oorkonde. De zesde les staat aangekondigd
aIs training voor de 30 minutenloop.
De zevende les is de 30 minutenloop en tevens de 5 km test. Ook
De negende les. Wie kan 5 km aan één stuk lopen?
Hier krijgen de kinderen een oorkonde. De tiende les wordt getraind voor
de uurloop. De elfde les bestaat uit een estafette over 5Okm.
De twaalfde les wordt de uurloop gehouden.
De veertiende les bestaat uit training voor de 10 km trimloop.
Deelname aan de 10 km trimloop in het dorp wordt aIs afsluitende
vijftiende les beschouwd.
De kinderen maakten veel snellere vorderingen dan men aanvankelijk
had verwacht. Dit kwam onder andere door de trainingen die de kinderen zelf erbij gingen uitvoeren, twee tot drie keer per week. Van de
39 kinderen haalden 38 kinderen de uurloop, 19 kinderen volbrachten de 10 km trimloop, waarvan 8 binnen het uur.
Een kind beleeft de sport gevoelsmatig. Het wil onderweg allerlei dingen zien en beleven. Dat moet dan ook het belangrijkste uitgangspunt zijn in de training. Dan loopt het zonder vermoeidheid, dan maakt het speels snelle vorderingen.
Wellicht zult u zich afvragen wat deze gegevens te zeggen hebben
over het uithoudingsvermogen van onze kinderen. Dr. Ernst van Aaken
trof in onderzoek van bovengenoemde eigenschappen bij kinderen reeds na geringe training dezelfde gunstige waarden aan als
bij wereldtoppers. Jongeren van 16 tot 18 jaar zullen doorgaans aI veel
meer trainingsarbeid moeten verrichten om deze waarden te hand-
haven. Lange afstandlopen kunnen we daarom betitelen aIs kinderspel.
Een tienjarige jongen liep 10 km in 58 min. waarbij zijn hartslag niet
hoger opliep dan 174 slagen per min. (een waarde die overeenkomt
met toplopers), Na één minuut was deze polsslag gezakt tot 1 35. Gaan
we uit van een rustpolsslag van 90 op deze leeftijd en een polsslag
van 1 lO tijdens het spel, dan zien we dat het herstel enorm snel
plaatsvindt.
Overigens is niet alleen de polsfrequentie in rust bij kinderen hoger
(7O - 9O slagen per min. tussen 14 en 10 jaar), maar ook de maximaal
haalbare polsfrequentie ligt hoger.
Leeftijd 10-14 17-20 21-30
jongens 220 210 200
meisjes 220 200 190
Bij onderzoek naar het uithoudingsvermogen van lopers wordt
vaak het zogenaamde hartquotiënt berekend. Dit is het hartvolume gedeeld door het lichaamsgewicht. Getrainde kinderen vertonen aI snel
een veel gunstiger quotiënt dan niet getrainde kinderen en komen
aI snel in de buurt van goed getrainde volwassen. (zie tabel A)Leeftijd lengte hartvolume gewicht hartquotiënt
---------------------------------------------------------
6 jaar 1,16 m 315 cc 20,7 kg 15,3
7 jaar 1,19 m 371 cc 22,8 kg 16,4
8 jaar 1,27 m 352 cc 25,9 kg 13,6
9 jaar 1,32 m 353 cc 25,3 kg 14,0
10 jaar 1,35 m 357 cc 29,0 kg 12,3
11 jaar 1,40 m 442 cc 34,3 kg 12,9
12 jaar 1,46 m 463 cc 37,0 kg 12,5
Gemiddelde van ongetrainde jongeren van 16 jaar
1,80 m 540 cc 72,0 kg 7,5
5000 meter toploper van 20 jaar
1,83 m 1243 cc 58,0 kg 21,4
Plezier behouden
Eerzuchtige vaders, trainers of moeders, die hun kinderen over
pijndrempels heen proberen te schreeuwen, bewijzen de kinderen
een slechte dienst. Een kind dat overvraagd wordt tijdens trainingen en wellicht nog meer tijdens wedstrijden verliest snel alle animo om te lopen. Kinderen lopen gevoelsmatig en hebben nauwelijks tempo-gevoel. Ze willen onderweg allerlei dingen zien en beleven. Dat moet dan ook het belangrijkste uitgangspunt zijn in de training. Dan lopen ze zonder
vermoeidheid, dan maken ze speels snelle vorderingen.
Karl lennartz heeft eens een nauwkeurig verslag geschreven van zijn
looptrainingen met kinderen uit de vierde klas van de lagere schooI. In
15 lessen werken de kinderen toe naar deelname aan een trimloop van 10 km. In deze lessen wordt in allerlei variaties (lopen met tweetallen, om beurten het tempo aangeven, huppels, slootje springen,dwars door het bos, naar een
avontuurlijke plek etc.) de duur van het lopen stapsgewijs verlengt.
Tempo speelt geen rol.
Om u een indruk te geven van de snelle vorderingen die gemaakt
worden geef ik een samenvatting van de belangrijkste stappen.