Herstellen na de marathon begint met goed drinken

.

Door Jitze Weber uit Runners World

In deze hoogtijdagen van de marathon is het opvallend dat er zo weinig over het herstel wordt gesproken. Na het volbrengen van het lang gekoesterde doel is het schema vaak een vraagteken. Moet ik iets doen of juist niet ? Wanneer heeft training weer zin ? Allemaal vragen voor nà de finish. In deze Runners World geven wij een aantal richtlijnen met voorbeeld-schema's.

Atleten die net een marathon achter de rug hebben, doen zeer uiteenlopende dingen.
Onafhankelijk van het resultaat heeft de ene loper er na een week alweer tientallen kilometers opzitten, terwijl de ander juist die dag voor het eerst weer iets doet. Vaak staat dit geheel los van de loopervaring, trainingsopbouw, leefgewoontes of nieuwe doelen.
Wie heeft er gelijk ? Het is te simpel om te stellen dat degene die zich het snelste weer fit voelt, ook de beste methode hanteert. Om dit in te zien, hoef je maar te denken aan het verschil tussen een echte wedstrijdloper en een recreant.
De eerste zal zich zo goed mogelijk op hooguit drie marathons per jaar voorbereiden en daarbij zo hard mogelijk lopen, terwijl de recreant met grote regelmaat marathons kan lopen.
Weliswaar in onopvallende tijden, maar met evenveel genoegen.
Het verschil in belasting van de marathon ten opzichte van het persoonlijk gemiddelde duurlooptempo is bij wedstrijdlopers hoog. Die inspanning wordt evenwel mogelijk ten gevolge van een goede trainingsopbouw. De te herstellen schade aan het lichaam is hierbij relatief groot en anders van karakter dan bij de gemiddelde duurloper.

EXTREMEN IN BELASTING EN RUST

Bij de wedstrijdloper zullen zich gedurende een seizoen tevens grote tegenstellingen in belasting en rust voordoen. Uiteraard gebeurt dat planmatig en met als hoofddoel : het resultaat.
De recreant laat zowel in de training als in de 'wedstrijd' minder extremen in belasting en rust toe. Vaak vormt zich een routine, die er uiteindelijk toe leidt dat de resultaten afnemen.
Beide benaderingen vragen een ander herstel. Het gaan tot het uiterste, maar niet al te vaak, resulteert in een andere schade aan het lichaam dan het regelmatig lopen van marathons in een trager tempo. Het gaat hier dus om het herstellen van die schade.
De globale lichaamsschade die de marathon aanricht, bestaat uit meerdere elementen : uitdroging, verzuring en overbelasting in velerlei vorm, maar wel in samenhang. In het algemeen is de schade het grootst bij de wat zwakker doorbloede lichaamsdelen. Denk hierbij vooral aan de aanhechtingen van pezen en spieren en de wat dieper in de spiergroepen gelegen weefsels.
Voor het herstel is het van belang om de aanvoer van bouwstoffen en de afvoer van afvalstoffen evenwichtig te reguleren. Voor iedereen geldt dat veel drinken, bij een zo gering mogelijk vochtverlies, zeker bijdraagt tot een goed herstel. De afvalstoffen kunnen dan sneller worden afgevoerd.
Bouwstoffen zijn hard nodig omdat er bij een belasting als de marathon kleine haarvatscheurtjes ontstaan, die weer moeten herstellen. Rust roest inderdaad, dus een klein beetje beweging (actief herstel) doet hier juist wonderen. De beweging zorgt namelijk voor een verhoging van de (kern)temperatuur van het lichaam, zodat de doorbloeding wordt bevorderd. En dus ook de aanvoer van bouwstoffen.
Om tot goede resultaten te komen, moet de wedstrijdloper drinken. Het liefste z¢veel dat hij (of zij) het tempo kan handhaven op een aanvaardbaar (vlak) schema. Voorts drinkt hij zo weinig dat het hem niet tot last is in relatie tot het doel. Het mag bovendien niet te veel tijd kosten.
Drinken leidt, als motor van de doorbloeding, ook tot een beter herstel.

HERGEBRUIK AFVALSTOFFEN

Naast deze invloed van buitenaf zijn de spieren zelf in staat zich te repareren. Zij gaan over tot gedeeltelijk hergebruik van afvalstoffen. Daarop ontstaat nieuw, maar slecht gemodelleerd weefsel.
De loper krijgt dan weefsel dat lijkt te herstellen, maar dat na de trainingshervatting kwetsbaar is en zelfs bij een langzame opbouw snel opnieuw beschadigd.
De beschadigde lichaamsdelen voelen bij rust sneller goed aan, maar blijken in de praktijk minder belastbaar. Dit is een oorzaak van nieuwe blessures of een extra blessuregevoeligheid.
En dat willen lopers natuurlijk juist voorkomen. Het is schijnherstel.
'Rust nemen' luidt een veel geroepen advies. 'Dat in geen geval' is daarop altijd het ondubbelzinnige antwoord. Na om het even welk type wedstrijd, valt de keuze altijd op actief herstel. Daarom volgt hieronder de praktijk.
Voor de wedstrijdloper wordt een herstelperiode geadviseerd met veel intervallen op een lage intensiteit. Het 'normale' tempo van de duurlopen moet liggen op 50 procent (voor recreanten) of 60 procent (wedstrijdlopers) van de variabele hartslag (zie tabel).

VARIABELE HARTSLAG

Als van een training op 50 of 60 procent wordt gesproken, bedoelen wij het volgende :
neem de rustpols (bijvoorbeeld 60 slagen per minuut);
bepaal vervolgens de maximale hartslag bij zware inspanning (180);
trek de beide getallen van elkaar of (120).
De voeding moet in deze week wat meer eiwitten bevatten (vis, kip en dergelijke), en iets alcoholisch kan beslist geen kwaad.

Een duurloop op 60 procent is dan de rustpols (60) plus 60 procent van de variabele hartslag (60 % x 120 = 72 / totaal : 132)

---------------------------------------------------------------------------
Hartfrequentie        Intensiteit (%)
rust     max          50   55   60   65   70   75   80   85   90   95   100
---------------------------------------------------------------------------
(slagen per min.

   40    160         100  106  112  118  124   130  136  142  148  154  160 
   40    170         105  112  118  125  131   138  144  151  157  163  170 
   40    180         110  117  124  131  138   145  152  159  166  173  180 
---------------------------------------------------------------------------
   40    190         115  123  130  138  145   153  160  168  175  183  190 
   40    200         120  128  136  144  152   160  168  176  184  192  200 
   50    160         105  111  116  122  127   133  138  144  149  155  160 
---------------------------------------------------------------------------
   50    170         110  116  122  128  134   140  146  152  158  164  170 
   50    180         115  122  128  135  141   148  154  161  167  174  180 
   50    190         120  127  134  141  148   155  162  169  176  183  190 
---------------------------------------------------------------------------
   50    200         125  133  140  148  155   163  170  178  185  193  200 
   60    160         110  115  120  125  130   135  140  145  150  155  160 
   60    170         115  121  126  132  137   143  148  154  159  165  170 
---------------------------------------------------------------------------
   60    180         120  126  132  138  144   150  156  162  168  174  180 
   60    190         125  132  138  145  151   158  164  171  177  184  190 
   60    200         130  137  144  151  158   165  172  179  186  193  200 
---------------------------------------------------------------------------
   70    160         115  120  124  129  133   138  142  147  151  156  160 
   70    170         120  125  130  135  140   145  150  155  160  165  170 
   70    180         125  131  136  142  147   153  158  164  169  175  180 
---------------------------------------------------------------------------
   70    190         130  136  142  148  154   160  166  172  178  184  190 
   70    200         135  142  148  155  161   168  174  181  187  194  200 
   80    160         120  124  128  132  136   140  144  148  152  156  160 
---------------------------------------------------------------------------
   80    170         125  130  134  139  143   148  152  157  161  166  170 
   80    180         130  135  140  145  150   155  160  165  170  175  180 
   80    190         135  141  146  152  157   163  168  174  179  185  190 
   80    200         140  146  152  158  164   170  176  182  188  194  200 
---------------------------------------------------------------------------

(bron. H. Scharn!

Het schema zou er als volgt uit kunnen zien :

  1. Zondag : na de marathon ongeveer 5 minuten uitlopen in dribbeltempo. Dan pas drinken, het liefst verdunde energiedrank of water (0,75 liter).
    Daarna nog eens 10 minuten dribbelen met wat lichte rekkingsoefeningen.
    Weer drinken, nu niet te veel, en 500 meter wandelen plus licht rekken.
    Na thuiskomst goed eten, inclusief een glas wijn om de doorbloeding te verbeteren.
    's Avonds nog 5 kilometer rustig fietsen. Neem een gewone in plaats van een sportfiets, want snel mag het niet gaan.
  2. Maandag :
    wandelen (1 … 2 kilometer), licht rekken, een paar losmaakoefeningen en daarna 3 kilometer dribbelen. Thuis 0,5 liter water rustig opdrinken en 5 minuten later licht rekken Na een eventuele douche 5 kilometer rustig fietsen en verder rustig aandoen.
    Een half uur zwemmen, de soort slag maakt niet uit, maar wel doorzwemmen : 3 banen langzaam, 1 baan licht versnellend.
  3. Dinsdag :
    na het zwemmen niet meteen lopen, maar een paar uur later wel 5 kilometer dribbelen.
  4. Woensdag :
    Een half uur lichte krachttraining naar keuze (push-ups, rugspieren en dergelijke), dit om de hormoonproduktie te stimuleren.
    Verder 45 km rustig fietsen, maar wel steeds na elkaar 5 kilometer 1 tot 2 minuten licht aanzetten.
  5. Donderdag :
    Lopen : 15 kilometer, de eerste 5 kilometer langzame duurloop, dan 5 kilometer in normaal tempo en ten slotte 5 kilometer naar huis dribbelen.
  6. Vrijdag :
    Absolute rust : niet trainen, niet rekken
  7. Zaterdag :
    Rustige duurloop van 5 kilometer. Daarna 1 uur lang iedere 5 minuten versnellen, gevolgd door 1 minuut wandelen. De versnelling moet 2 minuten duren.
    Uitlopen : 15 minuten. Na de training goed drinken en 10 kilometer fietsen.
  8. Zondag :
    Fartlek (vaartspel) van 10 kilometer met een maximale hartslagfrequentie van 90 tot 130 slagen per minuut. Liefst aansluitend 5 kilometer fietsen

Bij recreanten geldt dat zij bovenstaande volgen, mits zij niet binnen twee weken weer een marathon lopen.
Het is raadzaam om de tweede week na de marathon alleen duurtraining te doen. Zorg er vooral voor dat het geen moeite kost Ook voor de recreant geldt dat een goed glas wijn of een pilsje in de herstelfase soms wonderen doet. Het brengt de bouwstoffen op z'n plaats. Overdrijf het natuurlijk niet. Neem die tweede week twee of drie extra rustdagen.
Het programma zou er als volgt uit kunnen zien :

  1. Week 1 : herstellen als wedstrijdatleet, voorzichtig, laag intensief
  2. Week 2 : Géén tempo's, hartslag laag houden

Week 2 :

Maandag : 15 km fietsen
Dinsdag : 5 km lopen
Woensdag : rustdag
Donderdag : 30 minuten zwemmen, 5 km lopen
Vrijdag : rustdag
Zaterdag : 30 km fietsen, 10 km lopen
Zondag : 1 uur zwemmen, 5 km lopen

Recreanten die regelmatig een marathon willen lopen, kiezen in de wedstrijd een tempo dat resulteert in een tijd van het persoonlijk record plus dertig tot veertig minuten.
Voor het herstel loop je na de marathon vijf minuten uit. Drink wat en ga naar huis.
De volgende ochtend dient er direct weer (kort) te worden gelopen. Joggen dus, door de pijn heen, ongeveer 5 tot 10 kilometer. Fiets daarna een stukje.
En verder (uitgaande van een marathon op zondag) :

Dinsdag :
1 uur zwemmen, 's avonds duurloop van 15 km, niet te snel
Woensdag :
klein intervalprogramma : 5 x 5 minuten versnellen (dribbelpauze 5 minuten, in- en uitlopen 5 km). Indien het je niet lukt te versnellen, kan je het weekeinde daarop beter niet weer een marathon lopen.
Donderdag :
duurloop 10 kilometer in marathontempo, daarna 20 km fietsen.
Vrijdag :
rust
Zaterdag :
5 km rustige duurloop
Zondag :
marathon

estartit@skynet.be