Training voor een marathon


Bron : Tempo Runner

Om een marathon zonder kleerscheuren te lopen, is het noodzakelijk dat je goed voorbereid aan de start komt en dat je van bij het begin van de training rekening houdt met je ambities. Hierna volgen dan ook schema's die gemakkelijk kunnen aangepast worden aan die ambities en die nog jarenlang bruikbaar kunnen zijn.

Specifieke trainingsonderdelen :


Met deze tweede episode starten we de specifieke marathon voorbereiding Alvorens je een aantal trainingsschema's voor te stellen, is het belangrijk een aantal begrippen over de onderverdeling van een schema te doorgronden :

  • Mycrocyclus : is een complete cyclus van de verschillende trainingstypes Het komt er op aan de periodes te bestuderen die alle werktypes bevatten en die als een reeks. herhaald worden
  • Periode : is een reeks van microcycli, die een deel van de voorbereiding vervolledigen De onderverdeling in periodes dient om de verschillende momenten van de voorbereiding af te werken.
  • Rust : het zijn de dagen waarop niet getraind wordt.
  • Ontlading : wordt gebruikt om de lichamelijke en geestelijke energie te recupereren door middel van langzame trainingssessies en rust.

Alvorens in het specifieke trainingskader te treden, is het nuttig een belangrijke vraag onder de loupe te nemen : hoe functioneert het lichaam precies tijdens het lopen ? Net zoals een normale motor verbrandt het menselijk lichaam een aantal substanties om energie te produceren Tijdens het lopen verhoogt uiteraard de verbranding van deze substanties.
Wanneer men traag loopt, verbrandt men eerder vetten, waardoor de reserves aangesproken worden. Deze reserves zijn echter niet zo gauw uitgeput. Wanneer men sneller loopt. verbrandt men suikers. een brandstof waarvan de voorraad eerder beperkt is.
De vetten vormen een arme brandstof die het toelaat om snel te lopen, terwijl de suikers, die een vrij rijke brandstof vertegenwoordigen, toelaten om in een onderhouden tempo te lopen. Met behulp van de training kan men het lichaam klaar maken om meer suikers of vetten te ver branden. Men kan het zelfs verplichten een mengeling van suikers en vetten te verbruiken om gedurende langere tijd met een hogere snelheid te lopen.
De suikerreserves zijn echter onvoldoende om een hele marathon te lopen. Na ongeveer anderhalf uur zijn ze uitgeput Wanneer je alle suikers tijdens de eerste marathonhelft zou opgebruiken, blijven er alleen nog vetten over, zodat de atleet verplicht wordt om heel traag naar de finish te lopen.
Tijdens een wedstrijd over 10 kilometer verbrand je uitsluitend suikers omdat het dan de bedoeling is heel snel te lopen. Het lichaam zal uiteraard vetten gebruiken wanneer het heel lange inspanningen moet leveren van lage intensiteit. Tijdens inspanningen van middelmatige intensiteit zal het een mengsel van beide soorten brandstoffen gebruiken.
Herinneren we eraan dat men met behulp van de training het lichaam zal gewoon maken onmiddellijk suikers te verbruiken, of vetten of beide. Een atleet die gedurende jaren gewoon was korte of middenafstanden te lopen is een machine geworden die gewoon is bij voorkeur suikers te elimineren, zelfs wanneer zijn snelheid niet erg hoog ligt. Daarom ook zullen deze atleten een overgangsperiode moeten in acht nemen om hun mechanisme het verbruik van vetten te doen stimuleren en het verbruik van suikers te doen afnemen.
Om de zaken wat eenvoudiger voor te stellen kunnen we alles samenvatten in een schema, waarbij we voor elk wedstrijdtype het energieverbruik aangeven.

  • Long Slow Distance : lage snelheid en bij voorkeur verbruik van vetten.
  • Snelle fondloop en korte repetitietrainingen : hoge snelheid en bij voorkeur verbruik van suikers.
  • Middenafstand en lange repetitietrainingen : middelmatige snelheid en verbruik van een mengeling van beide brandstoffen.
Op die manier wordt het duidelijk dat een marathon, die met een contante snelheid gelopen wordt. getraind moet worden met behulp van middenafstanden en lange repetitietrainingen.

Verdeling in perioden

Om je prima te kunnen voorbereiden, moet de trainingsarbeid verdeeld worden in drie verschillende perioden, die zich zonder te forceren richten op de ontwikkeling van de diverse kwaliteiten die een marathonloper nodig heeft. Eén periode duurt veertig dagen en bevat naast drie microcycli van intense arbeid (telkens twaalf dagen) ook nog vier dagen van minder intense arbeid, waarbij vooral aan de recuperatie wordt gedacht.

  • Eerste periode : de trainingsarbeid moet de basis weerstand verbeteren. Het trainingsschema bevat hoofdzakelijk elementen die erop gericht zijn deze weerstand te verhogen. De sessies waarbij aan de weerstand gewerkt wordt, moeten echter erg geleidelijk in het schema ingewerkt worden om de globale trainingsarbeid niet te overbelasten. Maar ze zijn nodig omdat ze de basis zullen vormen van de tweede voorbereidingsfase.
    Het streefdoel van deze periode bestaat erin heel veel kilometers te lopen met een matige snelheid. Deze eerste fase dient eveneens om de atleet gewoon te maken aan het vetverbruik tijdens het lopen. Dit aspect is fundamenteel. Er moet immers vermeden worden dat je met een sterke motor opgezadeld zit die heel veel verbruikt.
  • Tweede periode : gedurende deze periode moet het anaëroob vermogen ontwikkeld worden. Men vermindert het weerstandswerk op basis van een hoog aantal kilometers, om meer en meer snelheidswerk te kunne programmeren, waardoor het anaëroob vermogen ontwikkeld kan worden.
  • Derde periode : de specifieke marathonvoorbereiding. Hier moeten de trainingselementen van de vorige perioden aan bod komen. De lange afstanden moeten nu gekoppeld worden aan wat snellere arbeid. Ook moet de duur van de trainingsarbeid waarbij aan bet anaëoob vermogen gewerkt wordt, verhoogd worden. Daarnaast moet ook de snelheid die men tijdens de tweede periode hanteerde, wat verlaagd worden.

Samenvatting :
- eerste periode : grote volumes, tempo niet te hoog.
- tweede periode : hoger looptempo en vermindering van het volume.
- derde periode : grote volumes, hoger tempo

Alvorens de specifieke marathonvoorbereiding aan te pakken, is het nodig gedurende enkele weken een basistraining te volgen, waarbij het de bedoeling is wat atletischer te worden, de spieren te versterken en een zekere vlotheid van stijl tijdens het lopen te ontwikkelen. Je kan na een rustperiode nooit met een zwaar trainingsschema starten !
Twee weken voor de wedstrijd daarentegen is bet nodig een programma in te lassen waarbij de recuperatie (zowel lichamelijk als geestelijk) centraal staat. Hieronder volgt het inleidend schema, dat gedurende vier weken moet gevolgd worden.

  1. maandag: spierversterkende oefeningen in de sportzaal, gevolgd door 30 minuten traaglopen.
  2. dinsdag: 40 minuten traag
  3. woensdag: korte repetitietraining in bergop: 8 x 100 meter na de opwarming
  4. donderdag: complete rust of 40 minuten traag
  5. vrijdag: een kwartier opwarming, gevolgd door 30 minuten crescendo-loop
  6. zaterdag: 40 minuten traag
  7. zondag: rust

    Opmerkingen

    Tijdens deze eerste fase is het nodig te beschikken over een stevige gezondheid om te vermijden dat je trainingsprogramma' s aanpakt die je nog niet zou aankunnen.

    1. Gedurende deze fase moet vooral gelet worden op de spierontwikkeling.
    2. Joggers die nog nooit dergelijk schema volgden, moeten dit weekschema meerdere malen herhalen, vijf of zes maal indien nodig.
    3. Het werkschema dat we in de volgende nummers aanbieden richt zich in de eerste plaats naar lopers die minstens een jaar bezig zijn.
    4. Wie na een lange pauze opnieuw begint te lopen moet een langere aanpassingsperiode voorzien, gebaseerd op trage trainingssessies.
    5. Je kan dit programma pas starten wanneer je je het voorbije jaar fit gehouden hebt. Anders loop je de kans te snel met blessures geconfronteerd te worden.
    6. De repetitietrainingen bergop moeten snel gelopen worden. De recuperatie (al stappend) geschiedt tijdens de afdaling, wanneer men terugkeert naar bet startpunt. De tijdsduur van de recuperatie varieert van één tot twee minuten.
    7. Het zou erg handig zijn indien je voor de verschillende trainingstypes over duidelijke referenties kan beschikken. Bijvoorbeeld onder de vorm van percentages ten opzichte van de anaërobe drempel. Voor de lezers zal het wellicht gemakkelijker zijn om als referentie het 10 km-record te nemen. Het delen door tien levert dan de gemiddelde snelheid per kilometer.

      Nemen we het voorbeeld van iemand wiens record 40 minuten bedraagt.
      -Traag: 40 tot 50 seconden trager dan de gemiddelde snelheid per kilometer, tussen4.40 en 4.50 per km dus.
      - Gemiddeld: 10 tot 20 seconden trager, in dit geval tussen 4.10 en 4.20 per km.
      - Lange herhalingen: 5 seconden sneller, 3.55 per km.

    Ciao!
    Gelindo Bordin