Welkom bij
D.H.T. - Die Hard Team

 
Basissnelheid en de marathon

Een hogere basissnelheid leidt tot betere prestaties in de wedstrijd

Eerst kun je nog geen 100 meter achter elkaar hardlopen. Later kun je uren achtereen blijven hardlopen. Maar je prestaties verbeteren zich niet meer. Nog langer lopen heeft geen zin, er moet meer aan snelheid gewerkt worden.
Door op kortere afstand iets sneller te worden, kan ook op langere afstand winst worden geboekt.

Marathonlopen is een duurprestatie bij uitstek. Voor veel lopers is het uitlopen van een marathon het ultieme doel waarvoor de nodige tijd en energie geïnvesteerd wordt. Wie in dit stadium verkeert zal discussies over de rol van snelheid en snelheidstraining bij de marathon misschien ietwat vervreemd aanhoren. Snelheidstoename is wel hun laatste zorg. Al hun training is gericht op vermeerdering van het uithoudingsvermogen.
Voor heel veel lopers is verbetering van het uithoudingsvermogen inderdaad het eerste en voorlopig het enige trainingsdoel. Wanneer echter de prestaties stijgen komt er een moment waarop snelheid ook in de marathon als begrenzer van verdere mogelijkheden gaat optreden. Het is wel duidelijk dat naarmate de wedstrijdafstand korter is, de invloed van snelheid op het resultaat een steeds grotere rol gaat spelen.
Wanneer we ons buigen over snelheid, dan blijkt het een heel complex begrip is, waarin ook factoren als kracht, coordinatie, beweeglijkheid en uithoudingsvermogen van invloed zijn.
Vooraleer we dieper op dit snelheidscomplex ingaan, zullen we eerst de opvattingen van enkele trainers schetsen :


Over snelheidstraining.

Als u bijvoorbeeld uw 10 km-tijd weet te verbeteren, dan kunt u, mits genoeg specifiek getraind, ook uw marathontijd verbeteren.

We hebben opgemerkt dat wanneer de prestaties stijgen er een moment komt waarop snelheid ook bij langere afstanden, zoals bijvoorbeeld de marathon, als begrenzer van verdere mogelijkheden gaat optreden. Duidelijk is dat naarmate de wedstrijd-afstand korter is, de invloed van de snelheid groter is.
Hoge basissnelheid leidt tot topprestaties wanneer dit gecombineerd wordt met een goed snelheid-uithoudingsvermogen. Hier besteden we aandacht aan deze combinatie en hoe in training beide aandacht kunnen krijgen.

Snelheid als complex.

Snelheid is een overkoepelend begrip waarin een complex van factoren ondergebracht zijn : kracht, coordinatie, beweeglijkheid en uithoudingsvermogen. Snelheidstraining is daarom ook een complexe training, waarin verschillende accenten gelegd kunnen worden. Het grote probleem daarbij is dat teveel accent op de ene factor remmend werkt op de ontwikkeling van een andere factor. Snelheidstraining vraagt veel vakmanschap.
In vergelijking met bijvoorbeeld kracht- en uithoudingsvermogentraining is het resultaat van snelheidstraining bescheiden. Terwijl het duur-uithoudingsvermogen verdubbeld kan worden, kan op de sprint slechts een resultaat-verbetering van maximaal 30 procent bereikt worden. Snelheid likt in belangrijke mate door aanleg bepaald.

Twee typen spiervezels.

In onze spieren treffen we 2 soorten spiervezels aan. We onderscheiden 'fasttwitch-vezels' (Ft) en 'slowtwitch-vezels' (St). Ft-vezels zijn krachtig en kunnen zeer snel aantrekken. St-vezels vertonen de omgekeerde eigenschap : niet zo krachtig en langzaam samentrekkend. De snelle en krachtige spiervezels raken heel snel vermoeid, terwijl minder krachtige en langzame vezels hun arbeid zeer lang kunnen volhouden. Hoe langer de afstand, hoe belangrijker de rol van St-vezels en omgekeerd. De verhouding tussen de Ft- en de St-vezels is door training zeer goed te verschuiven in de richting van de St-toename. De omgekeerde richting is moeilijker. Met andere woorden, het aantal Ft-vezels is in aanleg bepaald.

Intermediaire vezels.

Naast eerder genoemde vezeltypen, bestaat er ook nog een derde tussenliggende categorie. Ze worden onder de Ft-vezels gerangschikt, maar ze kunnen door training toch tot een goede volhoudtijd gebracht worden. Voor lange-afstandslopers op hoog niveau, is met name training van deze intermediaire vezels van groot belang.
Een belangrijk deel van de snelheid-uithoudingsvermogen-training dient hierop gericht te zijn. Deze categorie van Ft-vezels wordt pas boven een bepaalde belastingsintensiteit aangesproken. Bij getrainde lopers gebeurt dit bij loopsnelheden die boven 90 procent van de maximale zuurstofopname vragen. Het is bij deze trainingsdoelstelling daarom goed mogelijk aan te sluiten bij de opvatting van Steffny en de maximale 1 km-tijd als richtlijn te nemen.
We rekenen deze wenskilometertijd om tot tijden op de 100-200-300 metertijden. De snelheidstraining bedoeld voor snelheid-uithoudingsvermogen kan er dan als volgt uit te komen zien : 2 x 10 x 100 meter of 3 x 5 x 200 meter, of 2 x 5 x 300 meter, of een combinatie ervan. De pauzeduur is 2 tot 1,5 keer de duur van de inspanningstijd. Zie volgende tabel.

10 km-tijd  marathon-tijd   wens-km  100 m   200 m   300 m
-------------------------------------------------------------------
27:00         2hr04'59"      2'15"   13,5"    27     40,5         
28:00         2hr09'35"      2'20"   14"      28     42
29:00         2hr13'52"      2'25"   14,5"    29     43,5
30:00         2hr18'04"      2'30"   15"      30     45
31:00         2hr22'48"      2'35"   15,5"    31     46,5
32:00         2hr26'50"      2'40"   16"      32     48
33:00         2hr30'50"      2'45"   16,5"    33     49,5
34:00         2hr34'51"      2'50"   17"      34     51
35:00         2hr38'53"      2'55"   17,5"    35     52,5
36:00         2hr43'54"      3'00"   18"      36     54
37:00         2hr48'05"      3'05"   18,5"    37     55,5
38:00         2hr52'26"      3'10"   19"      38     57
39:00         2hr56'50"      3'15"   19,5"    39     58,5
40:00         3hr01'21"      3'20"   20"      40     60
41:00         3hr06'02"      3'25"   20,5"    41     61,5
42:00         3hr10'42"      3'30"   21"      42     63
43:00         3hr15'23"      3'35"   21,5"    43     64,5
44:00         3hr20'00"      3'40"   22"      44     66
45:00         3hr24'36"      3'45"   22,5"    45     67,5
46:00         3hr30'12"      3'50"   23"      46     69
47:00         3hr34'35"      3'55"   23,5"    47     70,5
48:00         3hr38'47"      4'00"   24"      48     72
49:00         3hr42'47"      4'05"   24,5"    49     73,5
50:00         3hr46'33"      4'10"   25"      50     75
Uitleg : Om de loopsnelheid bij de snelheidstraining te kunnen bepalen wordt uitgegaan van de wenskilometer. De wenskilometer is de snelheid die u moet kunnen lopen over 1 kilometer om de prestatie op lange afstand (waar u naar toe traint) te kunnen realiseren. U zoekt uw beste tijd over de 10 km of marathon op, en leest af hoe snel u moet trainen op de korte afstand. Als u 10 km niet binnen de 50 minuten loopt, dan moet u geen snelheidstraining doen.

De basissnelheid kan worden verbeterd door snelheidstraining en door verhoging van pasfrequentie, verbetering van coördinatie en verbetering van de looptechniek.

Snelheid als leerproces

De snelheid van uitvoering van bewegingen wordt gestuurd vanuit de hersenen. Het bewegingsbeeld dat men heeft, wordt vanuit de hersenen via zenuwbanen en prikkeling van de spieren, zogenaamde neuromusculaire banen, tot daadwerkelijke beweging omgezet. De snelheid kan worden verbeterd door oefening van deze neuromusculaire banen. Er is hier geen sprake van aantoonbare veranderingen in het lichaam, maar uitsluitend van een verbetering van de beweging. We kunnen dit aspect van snelheidstraining daarom ook beschouwen als een leerproces.
De effecten van dit leerproces liggen vooral op terrein van verhoging van de pasfrequentie, verbetering van de coordinatie en verbetering van de looptechniek. Wanneer lange-afstandslopers op deze manier hun pure snelheid verhogen, ontstaat een grotere snelheidsreserve ten opzichte van hun wedstrijdsnelheid. Niet alleen hun energieverbruik daalt, maar ook de tactische mogelijkheden, bijvoorbeeld versnellingen of een eindsprint, worden groter.
Zoals bij veel leerprocessen het geval is, is ook verbetering van coordinatie en looptechniek het resultaat van veelvuldig oefenen. Bij deze trainingsvorm komen vooral oefeningen uit het zogenaamde loop-abc, versnellingen en korte, vliegende sprints aan bod.

Oefeningen uit het loop-abc :

Combinaties en overgangen naar looppas, bijvoorbeeld trippling-skippping-looppas, loopsprongen-looppas, hielaanslag-looppas.

Verdere trainingsvormen zijn :
- versnellingen van 60 tot 100 meter
- frequentie-oefeningen
- vliegende sprints van 20 tot 30 meter
Belangrijk bij deze snelheidsoefeningen is dat ze op ontspannen wijze worden uitgevoerd. Training van pure snelheid en vermoeidheid verdragen elkaar slecht. De rustpauzes tussen de versnellingen en sprints moeten daarom ook ruim genomen worden. Wanneer u merkt dat u na een aantal herhalingen teveel kracht moet gaan gebruiken kan de training beter beëindigd worden.
Voorbeeld van een training waarin beide voorgaande snelheidstrainingen met elkaar gecombineerd worden :