Oude plaatsnaamonderdelen

                                                                     

De mens heeft altijd een grote behoefte gehad om

mensen, dingen, planten, dieren en PLAATSEN een naam te geven.

Op die manier werd alles herkenbaar en ook een beetje beheersbaar.

 

Plaatsnamen (of toponymen) zijn eeuwenoud.

Vele ontstonden in het begin van onze jaartelling.

Ze veranderden in de loop van de eeuwen.

Er waren taalverschuivingen, invloed van invallers, ...

 

Bovendien was de taal zelf een probleem.

Keltisch, Latijn (Romaans) en Germaans zijn verwant.

Toch staan ze een heel eind van mekaar.

Eeuwen apart en ruimteverschillen leidde tot grote taalverschillen.

Rond het begin van de jaartelling stond het Keltisch, dat in onze regio

gesproken werd onder grote druk.

 

Vanuit het zuiden rukte het Latijn op en vanuit het noordoosten

kwam het Germaans steeds korterbij.

Rond het jaar 50 was het Keltisch als taal bijna verdwenen.

 

Onze huidige taalgrens is dan weer wat later ontstaan in de botsing/ontmoeting van

Germaans en Romaans.

 

Alleen in plaatsnamen bleven "elementen (rivier/waternamen bvb.(die meestal overklaardbaar zijn))" van het Keltisch bewaard.

Germaans en ook het Latijn (Romaans) namen het over.

Plaatsnamen werden dan ook veranderd (aan de nieuwe taal-heersers aangepast)

en nieuwe plaatsnamen ontstonden.

Soms met een Germaanse, soms met een Latijns-Romaanse achtergrond.

Soms met een mix van beiden. Of met een bijmenging van Keltische elementen.

 

Er zijn slechts betrekkelijk weinig geschriften met die oorspronkelijke namen.

Vanaf het jaar 1000 werd er wel meer opgetekend.

De oorspronkelijke plaatsnamen waren echter eeuwen aan het toeval, de wet van de taalverschuivingen en de willekeur van de mens overgeleverd.

 

Als resultaat daarvan waren de taalinvloeden op plaatsnamen niet alleen meer gebonden aan taalgrenzen. De huidige taalgrenzen werden rijkelijk overschreden.

 

Zo vind je bv. heel wat Romaanse plaatsnamen in het Rijngebied en rond St.-Truiden.

Germaanse invloeden zijn merkbaar in o.a.Frans-Vlaanderen en in de Ardennen.

Keltisch is nog slechts sporadisch aanwezig.

 

Wetenschappers hebben zich over deze moeilijke materie gebogen.

Ze zijn er dikwijls in gelukt om de naambetekenis terug te vinden. Dikwijls ook niet.

 

 

 

a, aa, ahe: water(tje), beek, rivier

ach: water(tje), beek, rivier

aard: aanlegplaats

acker: akker: veld, akkerland

agnu: ekster

agwjo: vruchtbaar alluviaal land aan een rivier

alb(v)anõ: de witte

alb(v)ut: zwaan

aldan: oud

alisa: els

aliso: oude lengtemaat van ca. 1 m

alha: heiligdom

(h)ameide: boom, slagboom, afsluiting, gehucht

ana: boven, hoger gelegen

andja: eind

angula: hoek

arda: aanlegplaats (oorspr. gemeens. weide)

aspõ: esp, ratelpopulier

assel: holte, uitstulping

asta(n): tak, arm, essen (bomen), droogoven, bebouwde grond, schapenweide, betekenis onduidelijk

augjo, oog: zeeëiland

austa: oosten

bagna: big, das

baki, beca, beke, beek, ...: beek

balu: bangebied

ban, bon: beschermd gebied, rechtsgebied

banti: streek, regio

bara, baza: bloot, bar

batsa: ?

beemd: weiland, alluviaal land aan een waterloop

bent, bunt, beunt: plaats waar veel buntgras groeit

berg(a), berghe, bergen: heuvel(tje), schuilplaats

bere: modder, beerkleurig

berhta: schitterende

bern(u): beer

bibru: bever

biest: plaats waar veel biezen groeien

bilk: omheind stuk grond

bilim: spits uitlopend, ook het woord bili (bijl) is hieruit afkomstig

bi-tunja: ingesloten

birnu: beer, beerkleurige modder

blok, bilc, bulc: omsloten weiland, ingesloten land

bokina: beuken

bol: week, slap, moerassig, mul, droog, zandplaat

boom, bome: boom

boomgaard, boogaert, ...: boomgaard

borg: zie burg

born, borre: bron, waterput

bos, bosch, busch, bussche ...:

bos(je)

boschel: bosje, struikgewas

braak, brake, brakel: braakliggend terrein

brako: varen

brakti: breken, breking, hoogte

brand, brant: plaats waar brandstof gehaald wordt

breugel: moerassig en/of bosrijk gebied.

briel, broel, brühl, brogel, brogilo: moerassig (vaak bosachtig) terrein

brink: Oostnederlandse en Duitse plaatsnaam, gras(rand), open ruimte op het erf, in het dorp, dorpsplein

broek, broeck, brouck, broucke, broka: moerassig gebied

brogilo: Keltisch basiswoord voor briel, e.a., zie briel

brugge, brigge, brugjo: brug, havenbrug, knuppeldam

bruna: bruin

brunes: bron

bugan: boog, boogvormig

bukna: reebok

buksopu, buxus: buxusstruiken, buksboom

bulc: zie blok

burg: versterking

burja: hok, kot

busch: zie bos.

bursa, bursitja: moerasrozemarijn

busku: struikgewas, bos

cam, camme: brouwerij

campe: zie kamp

castellum, caster, castra, castrum: (Romaans) versterking, blokhuis, fort.

coppenol: zie koppenol

cot(e), cotte: hok, hutje, schuur, arme woning

couter, kouter: akker

cruys(se): plaats waar schandpaal of galg stond

daal, dael, dale, dala ...: inzinking in het terrein, dal

damma: dam, waterkering door een waterloop

del(le): laagte, dal

deupa(n): diep

deura: dier (hert)

dijk, dijcke, dike, ...: dijk

dikas: dijk, gracht (in Frans-, en West-Vlaanderen)

dilbja: gracht

does: moeras met bomen en struiken, veen- of turfland

donk, donck: hogere plaats in het omringende land, zie dunga

doorn(t), dor(n), door(n): plaats waar veel doornstruiken groeien

dorpel, deurpel, durpel: dorpel, grens, landpaal

dries(t): zie triest

drifti: kreek

dune, duin: duin, zandheuvel

dunga: zandheuvel in moerasgebied

duunt: een groep duinen of zandheuvels

ecke: hoek, eikenbos

eigena: eigen bezit

eke: eikenbos, plaats waar veel eiken groeien

elst: elzenbosje

engel, ingel: hoekhuis (uit Lat. angelus)

eynd(e), eijnde, hende:afgelegen plaats, eind

ex, est(er): ekster

fanja: moerassige waterplas

felda/u: woeste vlakte, open land

fenja: moerassige plas

flora: vlakke bodem

frauna: heerlijk

freija: vrij

frith(i), frethi: waarzeggerij, voorspelling (religieuse plaats ?)

fruska: kikker

furdu: doorwaadbare plaats

gaar, gaer, garre, ...: hek aan een weiland

gabra: moeras

gaisthu: hogere zandstrook langs polder of moeras.

galgan: galg

gallon: natte bronachtige plek in het veld

gaver: moeras, drassige grond

geer: spits toelopend stuk land

geest: hogergelegen zandgrond

gelwa: geel(kleurig)

-gem: zie heim

ger: speer

gersto: gerst

goor, gore: waterig gebied, moeras

glada: glad, glanzend

graban: gracht

graefin, graefja: graaf

granda: grintzand

grifte: gegraven vaart

grobjon: gracht

groese: weiland

gud, guda, goda, god, gott: goed, goddelijk

haag, hage: zie hag

haak, haeck, ...: een hoekvormig perceel land, verhevenheid in het landschap

haar: zandige heuvelrug

habjan, hafjan: verheven?

hag, haggo, hacco, haga, hegge: omheining

hagan: bosje

hago: bosje

haim(a): bewoning, huis

hain: zegge

hais(ja/o): beukenbos > struikgewas

hake: onvruchtbare hoogte

halahdra: jeneverbessenstruik

halha: bocht in of van het hoogland

haljo: dieper gelegen plaats (deze naam werd later verchristelijkt tot hel) (zie ook hel)

halu: afhellend

(h)ameide: boom, slagboom, afsluiting, gehucht

hamma, ham, hamme: landtong in een overstromingsgebied, een meander, een rivierbocht, ....

hangista: hengst

hapu: strijd

hara: steen

hard: sterk

harja: leger

haru: zandige heuvelrug.

hasla: hazelaar

hau: deel van een bos dat gehakt is, aangezien dit meestal akkerland werd heten veel akkers hau

hauha: hoog

hees, hese: jong beukenbos, struikgewas

heide: heide, onbebouwde grond, vlakte, veld

heim, ghem, gem, haima: woning, erf, heem,  dorp

heist, heyst: struikgewas, bos

hel: dieper gelegen plaats, helling (zie ook haljo)

hirn(itja): haagbeuk

hlaer(i): bosachtig moerassig terrein (zie ook laar),

hlaiwa (nu leeuw): (graf)heuvel

hlipa: helling (zie ook lede)

hofa: boerderij, hoeve

hol, hole, hulle: uitholling, inzinking

holm: klein eiland in zee of rivier

holt: bos, hout

hoorn: punt, hoek

horde: afsluiting van gevlochten wilgentenen

horik: hoek

horst: hoogte, nest

hout, ho(u)lt: bos, hout

hove, hoef, hoof: boerderij, hof

hrabna(s): raaf

hramsan: wilde look (plaats waar ... groeit)

hreuda: riet

hrunpiz: rund

hrugja: heuvelrug

huffel, uffel: heuvel(tje)

hugila: heuvel

hulisa: hulst

hulle: heuvel

hulpu: hellend

hult(a): (hoogstammig) bos

hunja: heuveltje

hunu: honigkleurig

hurnjon: voet van een hoger gelegen gebied, uitspringende bocht in hoger land

husa, husum: huis

huson: kous, omhulsel, verhuld

hwassa: scherp, spits

-iacum: Romaans achtervoegsel dat op een nederzetting wijst

ijf: taxus

-ing, -inga, -ingen: behorende tot het volk van ..., nakomelingen van ...

ingela: hoek

ipja: woorduitgang (zonder betekenis ?)

jocht, jokt: stuk land dat met één juk ossen op één dag kan geploegd worden

kalwa: kaal, leeg

kamp(um), camp (uit Latijn): afgebakend stuk grond voor landbouw of veeteelt, hoogvlakte

kapella: kapel

kaster: zie caster

keer: bocht, wending

kers: waterkers

keukja: kromming (van de rivier)

kinon: wellicht kreek, afgesneden rivierbocht

kirika: kerk

kist: afgesloten (stenen) ruimte

klaima: leem

kokan: koek, koekvormig

koppenol: inzinking met bolvormige heuvelrug

krumba: krom

kuil, keul, ... : kuil, groeve, hol

laak, laek, laeck, lake: poel, plas, waterloop in moerassig gebied

laar, laer, lare : open plek in het bos, bosweide, bosachtig of moerassig terrein

laku: waterloop in moerassig gebied

land: land

lauha: bosje op hoge zandgrond (zie ook lo)

laupo: weide in een terreininzinking

lede: helling (zie ook hlipa)

leuta: bedrieglijk, huichelachtig

leye: beek

linde, linden, lindo: plaats waar linden groeien

linpjo: zacht

liwan, leeuw: leeuw: heuvel, verhoging

lo, loo, loy, loye, looij, looy, loon, lee: open plaats in het bos, bos, open land, weide, bosje (zie ook lauha)

look: omheining, omheinde ruimte

loop: waterloop

lutikon: klein

made, maet: wei, hooiland

magala, mag, macht: machtig

maison: mees

male, malho: inzinking in het landschap, ook plaats van rechtsvergadering

mapla: volksvergadering

mari, maar: waterplas

maru: natuurlijke waterloop in zeekleigebied

meent: gemeenschappelijk dorps(wei)land

meer: watervlak, plas

meers, meersch: weiland langs de rivier

middu, middila, midila: middelste

migo, migilo, migja: urine, op urine gelijkende modder

mijl, mile, miel: rechtsgebied, banmijl

milipa: honig, honingkleurig

muite: kooi, vogelkooi, gevangenis, hol

moer, moor: veengrond, moeras

moorter, moortel: drassige grond

moortgat: opening, toegang met mul zand, gruis

mose: slijk, modder

mote, motte: hoogte, heuveltje, vaak met kasteel of molen erop.

mulin: uit het Romaanse molina: molen

mumpjan: monding

nekkersput: put waar volgens de volksverbeelding nikkers, watergeesten verblijven

ninde, neynde, inde: zie eynde

niwialhõ: laag gelegen

niwja: nieuw

oer: ijzerhoudende grond

(n)oorden: buitendijks land langs de rivier

oort, ho(o)rt: gevlochten hek met een gat erin

oort, ort, oord: uiteinde, uiterste punt, hoek, stuk land

oorden: zie (n)oorden

ooye, oye: beemd, (nat) weiland aan de rivier

opstal: onbebouwde grond, gemeenschappelijke weide

pa, pade, paeij, ...: pad, wegeltje

pahsu: das

peel, peelt: moerassige grond

perre, parre: omheinde plaats, afgesloten terrein

peudo: volk

pikwja: dik, dicht

pipa: moeras

pode, pude: kolk, modderpoel

pola: poel

porpa: vestiging(splaats)

potta: pot

purnu: doren

putja: put

schaar, schare: oever, dijk

ra, raaij: richtlijn, rooilijn

raas: geul, kreek, (ook) droogliggende land tussen de geulen

rausa: riet

rege(n)mortel: drassige grond als grensscheiding

riet, rit, rijt, reet: kleine waterloop, geul in buitendijkse gronden

ric, rîk, rik, rïkja: machtig, rijk, koning

rode: gerooid terrein in het bos

roes: riet

roost, roest, rorije: rietland

ropa: gerooid bos

ruskjon: rus, bies

sali: uit één ruimte bestaand huis

sate: woning, tijdelijk verblijf,  kasteel

schage : kreupelhout, bosje

schoor: aangeslibd land, moeras, boven water uitstekend land

schoor: scheur in iets, spleet, stut, versterking

schoot: beboste hoek zandgrond uitspringend in een moerassig terrein

schot: afgeperkte ruimte, ruimte waar vee gestald wordt

scleda: glibberige plaats

sella: vestiging

skagan: bosje

skaipjo: waterscheiding

skauta: hoger land uitspringend in moerassig gebied met bebossing

skina: schijn, glans

slacht(e): dijk, waterleiding, sluis

slijke, sli: slik, slijk, moerassige plaats, aangeslibde grond die nog niet ingedijkt is

sompel: zompige, drassige plek

spete: omgespitte grond

spijc: brug van boomstammen, knuppeldam

spork(t): plaats waar kreupelhout/sporkenhout groeit

stadi: plaats

stael: plaats, plek, grondslag van een dijk

staina: steen

stal, stall, stalle, stalla: plaats, omsloten ruimte, stal

stap, stappe: stap, trede, vlonder, (grens)paal

stee, stede: plaats in de ruimste zin

steen, stein(a): plaats waar een steen (stenen)ligt of ook versterking

stege: steeg, pad

stegel: stoep, verhoging, kaai, muurtje, slagboom

stel(le): kunstmatig opgeworpen hoogte op buitendijkse schorren

sterta: staart

strate: (heer)weg, straat

strepe: een smalle strook land

string: lange, smalle strook land

stuive, stuift: zandverstuiving

teuli: tuil

tomme: graf of grafheuvel

tong(e): landtong, uitstekend land in bv rivier

traam, tremel, dreem, ...: uiteinde (van de weg), boom

trecht, tricht: oversteekplaats

triest, driest, dries: gemeenschappelijke weidegrond, driesprong van wegen, dorpsplein, gerechtsplaats, braakland

thriwiski: dries, zie bij triest

tuin, tuine: omheining, afsluiting, omsloten ruimte

tunja: ingesloten

uffel: zie huffel

uhsan: (weideplaats voor) os

uitvang: gemeenschappelijke niet ontgonnen grond

vaeck, vake: vlechtwerk als afdamming in een beek

vate: drinkplaats voor dieren, openbare waterput

vedunia: bosbeek (Keltisch), oorsprong van de stad Wenen.

veer: oversteekplaats

velde, velt: akker, bebouwd land

ven, vin: veenland, land waar turf gestoken wordt, waterig stuk land

vest: versterking, burcht

vinkt: plaats waar lichte turf gestoken werd.

vliet, fliet: rivier, beekje, waterloop

vloed, vloet: watervloed, beek, stroom

voorde: doorwaadbare plaats

vreeackere: omheinde akker

waal, weel, wiel: kolk achter een dijk ingevolge een dijkdoorbraak

waegin: glooiend

waipo: (gemeenschappelijke) weide

wal: versterking, plaatselijke verhoging

walh(a): buitenlander, Waal, Romaan

walja, walla: wal, versterking, legerkamp

walla,mot(t)e: kunstmatige heuvel

walt, wald: woud

wana: te weinig, ontoereikend

wardo: uitkijkpunt, hoede, wacht(post)

waripa: riviereiland

wasu, waze, waas: drassige grond

wed(de): doorwaadbare plaats, drinkplaats.

wee(de): weide, gemeenschappelijke weide

weert, werde, wert, weerd: door rivieren omsloten land, buitendijks land, laaggelegen land, eiland of schiereiland in een rivier

wer: stromen (van bvb een rivier)

werf: onbebouwde ruimte rond huis, hoeve, kade, oever, ...

wesch: weide

wey, wei, ...: weiland

weyer, wijer: vijver

wich: kamp, strijd

widu: bos

wiel, weel: een door dijkbreuk ontstane kolk

wijck, wyck: stads-of dorpsgedeelte

winjo: weide

winkel: hoek

wipwo: teenwilg, wilgenteen

wisu: goed

woestijn: woest land

wolde: Saksische vorm van woud

wouwer, wuwer: (vis)vijver

zand(e), sand: zanderig droge plaats

zavel: zand, plein

zijpe: afwatering

zomp: zompig, moerassig gebied

zwalm, swalm: kolk