Hoe een planning opmaken voor de triatlon ?
Bron : Triathlon magazine - december/januari 2007 - door Nina Eggert
Tijdens de maand oktober en november doet u niet-specifieke sportaktiviteiten en rustige basistrainingen voor het lopen en het zwemmen. Eerst gaat u het voorbije seizoen analyseren : waar lagen uw sterke punten en waar de zwakken punten ? Welke trainingsmethoden waren voor u zeer effektief en welke waren niet werkbaar ? Waar heeft u fouten gemaakt ? Deze punten moet u in uw trainingsplan voor volgend jaar inbouwen. Beperk u volgend jaar tot 1 à 2 hoofdwedstrijden.
PERIODISERING
Tot aan de eerste wedstrijd worden de maanden in verschillende perioden
ingedeeld. Dit heet periodisering. Daardoor verkrijgt u op de wedstrijddag de
meest optimale conditie, of u nu voor een podiumplaats gaat of alleen maar om te
finishen. In elk geval heeft u een systematische trainingsopbouw nodig om gezond
en mentaal fris door het seizoen te gaan. De duur van de aparte trainingsblokken
kan individueel variëren, afhankelijk van de tijd die u nodig heeft voor de
voorbereiding. Maar u mag zeker geen 1 van die fasen weglaten.
Eerst bevind u zich in de overgangsperiode (oktober, november). Deze wordt
gekenmerkt door niet-specifieke training die best geen verband houden met
zwemmen, lopen en fietsen. En zeer belangrijk : zo tankt u weer nieuwe energie
voor de volgende weken en maanden, waarbij u het lichaam de rust gunt die het
nodig heeft.
De volgende weken start u met de voorbereidingsperiode 1 (VP1).
Deze trainingen hebben als doel uw basisuithouding in het aerobe bereik op te
bouwen en te verbeteren. U traint met een kleine intensiteit en ook met lage
snelheden. U kan ook aan langlauf, ski, schaatsen, moutainbike en sneeuwwandelen
doen. Naast de ontwikkeling van een algemene uithouding moet u ook de algemene
krachtmogelijkheden ontwikkelen, bijvoorbeeld in een fitnesszaal. Ook moet u
thuis regelmatig atletiektraining uitvoeren. Om door de langzame trainingen niet
aan snelheid te verliezen, moet u ook de snelheid trainen : oefeningen waarbij u
tot maximaal 8 seconden versnelt. Daarvoor is ook coödinatie nodig, die u best
kan trainen met oefeningen uit het loop-ABC.
In januari en februari wordt de training met de
"Algemene voorbereidingsperiode 2" voortgezet. De aerobe basisuithouding
wordt nu specifiek getraind door zwemmen, fietsen en lopen. Omdat u al enkele
weken training achter de rug heeft, kan u bij het lopen en het zwemmen al op een
hoger snelheidsniveau trainen dan bij VP1. Voor het fietsen hangt veel van het
weer af : wanneer is het buiten al goed om te fietsen ? Ten laatste eind
februari moet u op de fiets aan het trainen zijn om aan het fietsritme gewend te
geraken : ofwel buiten, ofwel op rollen of op de spinningfiets in de
fitnesszaal. Naast het ontwikkelen van de algemene kracht, gaat u op het einde
van deze VP2 ook de specifieke krachtuithouding ontwikkelen door bijvoorbeeld op
de fiets met een lage trapfrequentie (40-60 RPM) een berg te beklimmen. Ook moet
u in deze periode de snelheid voor de 3 onderdelen trainen.
In "voorbereidingsperiode 3" - maart en april - staat verder de
verbetering van de specifieke aerobe uithouding op het programma. Nu komen er
ook oefeningen bij voor het ontwikkelen van de "anaerobe uithouding". Hierdoor
stijgt uw snelheid nog meer dan in VP2. Ook de specifieke krachtuithouding wordt
in deze fase verder ontwikkelt. Veel atleten doen in deze fase een
fietstrainingskamp waarbij ze een hoog volume aan krachtuithouding gedaan wordt.
Aan het einde van VP3 start de ontwikkeling van de wedstrijdspecifieke
uithouding (WSA). In het verloop van VP1, VP2 en VP3 neemt zowel het
trainingsvolume als de trainingsintensiteit toe. Tijdens al deze fasen kan u
testwedstrijden doen, om te zien of u op de goede weg bent. Ook "tussendoelen"
kunnen in dit trainingsproces motiverend werken omdat er veel tijd is tussen de
start van de training en de wedstrijd.
In mei wordt het spannend, want dan beginnen de eerste triatlon- en
duatlonwedstrijden. Dit is de wedstrijdperiode (WP). Deze wordt onderverdeeld in
WP1 en WP2 als u zich voorbereid op 2 wedstrijden. Deze fase wordt gekenmerkt
door het verscherpen van de wedstrijdspecifieke uithouding, deelname aan
wedstrijden, maar ook door een stabiliserende basistraining. Op het einde van
WP1 is er de 1ste hoofdwedstrijd. Aan het begin van WP2 is er een lang
trainingsblok, waarbij het zwaartepunt terug op de ontwikkeling van de
basisuithouding ligt. Pas dan doet u terug aan wedstrijdspecifieke training en
opbouwwedstrijden naar de 2de hoofdwedstrijd. Na WP2 volgt de overgangsperiode
(rust).
| Jaarplanning triathlon voor een IRONMAN-wedstrijd in de zomer | ||||||||||||
| Maand | Okt | Nov | Dec | Jan | Feb | Mar | Apr | Mei | Jun | Jul | Aug | Sep |
| PERIODE | Overgangsperiode | algemene voorbereidingsperiode | Specifieke voorbereidingsperiode | Wedstrijdperiode | ||||||||
| aantal weken | 4 | 24 weken | 12 weken | 17 weken | ||||||||
| Week | 38-39-40-41 | week 42 tot 12 | week 13 tot 24 | week 25 - tot 41 | ||||||||
| zwaartepunt | REKOM (recuperatie/ kompensatie) | Basisuithouding, techniek, kracht, motoriek, economy | specifieke uithouding | |||||||||
| Stretching - krachtoefeningen - stabilisatieoefeningen - lenigheid - coördinatie - beweeglijkheid | ||||||||||||
| KT1 | KT2 of KT3 | KT4 of KT5 | ||||||||||
| KA1 | KA2 | KA1 | ||||||||||
| GA1 | GA1 | GA1/2 | GA1/2 | GA2 | RECUP | GA1 | WSA | |||||
| Doel | Recuperatie | Verhoging algemene capaciteit | Verhoging specifieke capaciteiten | Stabilisatie van de wedstrijdprestaties | ||||||||
| Koppeltraining | ||||||||||||
| Verhoging van de belasting | ||||||||||||
GA1 =uithouding met aandacht voor duur
GA2 = uithouding met ook aandacht voor snelheid
WSA = wedstrijdspecifieke uithouding
KA1 = extensieve krachtuithouding
KA2 = intensieve krachtuithouding
KT = krachttraining met toestellen
De periodieke seizoenopbouw kan men voorstellen als de opbouw
van een huis : tijdens VP1 wordt het fundament gelegd. In VP2 en VP3 worden de
muren opgetrokken en tijdens de wedstrijdperiode wordt het dak op het huis
gezet.
De perioden VP1, VP2, VP3 en WP worden onderverdeeld in Mikro-, Meso-en
Makrocycli :
- een mikrocyclus is meestal 1 weekn maar kan ook bvb. 10 dagen zijn.
- 3 tot 4 mikrocycli vormen samen een mesocyclus (bvb. 3 weken progressief
toenemend in volume + 1 relatieve rustweek)
- 2 tot 3 mesosycli vormen samen een makrocyclus

Een mikrocyclus (bvb. 1 week) volgt ook een afwisseling van belasting en rust. Bijvoorbeeld : op maandag een rustdag, dinsdag, woensdag en donderdag een toenemend trainingsvolume, op vrijdag een relatieve rustdag, op zaterdag en zondag een toenemend trainingsvolume.

Het kleinste onderdeel van de mikrocyclus
is de trainingseenheid. Er kunnen meer trainingseenheden per dag vallen.
Belangrijk om te weten is dat elke trainingseenheid een doel heeft en dat je
steeds moet weten wat het doel is van de training die je aan het doen bent. Soms
is het moeilijk om alle trainingen in 1 week te plaatsen. Dan kan je beter een
mikrocyclys van 10 dagen toepassen : 2 x (2 dagen belasting + 1 dag rust) en (3
dagen belasting + 1 dag rust). Na 2 mikrocycli van 10 dagen doe je daarna 1 week
volledige rust.
Ook met je niet te strak omgaan met het weekschema : soms is 3 tot 4 dagen rust
al voldoende, waarna je meteen met een nieuw trainingsblok kan starten.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is om in de voorbereidingsfase geen kontinue en
progressieve belastingsverhoging in te bouwen. Anderen verwaarlozen de
afwisseling van belasting en rust en geraken dan in een toestand van
overbelasting. Anderen trainen voornamelijk de discipline die hun het best ligt.
Daardoor bereiken ze een veel lagere prestatietoename, net als zij die te
intensief en te specifiek trainen.