Aanpassingen van ons lichaam na training
In ons lichaam werken zowel
processen van afbraak (katabole processen) als processen van opbouw (anabole
processen).
Tijdens de training overheersen de katabole processen : energievoorraden worden
verbruikt en afgebroken, door intensieve of langdurige trainingen ontstaat er
spierschade door o.a. melkzuur dat onze cellen beschadigt. Ook door
krachtinwerking in de spieren onstaan er scheurtjes in de sarcomeren (= de
kleinste onderdelen van een spier dat nog kan samentrekken).
Na de training stoppen de katabole effekten en begint de heropbouw van de
weefsels (anabool). Door deze anabole werking worden onze spiervezels dikker,
worden er nieuwe cappilairen gevormd,...Er treden dus morfologische
veranderingen op waarbij de strukturen in ons lichaam veranderen. Door training
kan men doelbewust het lichaam bepaalde wijzigingen opdringen. En als de bouw
van het lichaam verandert heeft dit ook gevolgen voor zijn functie : een dikkere
spier kan meer kracht leveren, er ontstaat een groter uithoudingsvermogen als de
mitochondriën in de spieren groter worden,...
Na een training past ons lichaam
zich aan : er worden extra reserves gemobiliseerd zodat ons lichaam een volgende
training beter aankan. Dit fenomeen noemt men
SUPERKOMPENSATIE : het lichaam is beter voorbereid om een volgende
inspanning aan te kunnen.
Wel zijn deze trainingseffekten specifiek naargelang het soort training : een
trage duurloop zal vooral de trage spiervezels verbeteren, een snelle
intervaltraining zal de snelle vezels verbeteren, krachttraining geeft alleen
meer kracht en niet meer uithouding,...
De trainingsverschijnselen bij een marathonloper en een gewichtheffer zijn
verschillend. De loper traint voor een betere uithouding en de gewichtheffer
traint om meer kracht te bekomen. Een wiekrenner is geen goede marathonloper
omdat ze alle twee verschillende spiervezels in hun quadriceps-spier trainen.
Welke trainingseffekten zijn er nu in ons lichaam ? Er zijn zowel LOKALE aanpassingen als aanpassingen in de verschillende anatomische stelsels (bloedsomloop, ademhalingsstelsel, zenuwstelsel, endocrien stelsel). Tevens is er een algemene verharding van het lichaam.
LOKALE AANPASSINGEN :
In de spieren die actief zijn
tijdens de training vindt er een specifieke aanpassing plaats :
1) bij snelheidstraining (snelle bewegingen) zullen de snelle spiervezels (FT =
Fast Twitch vezels) dikker worden. Dit komt omdat de myofibrillen verdikken door
eiwitopbouw. Ook de hoeveelheid energierijke fosfaten (ATP en CreatineFosfaat)
vergroot samen met het aantal anaerobe enzymen. De spier vergroot en wordt
sterker.
2) Bij krachttraining zijn het ook de snelle spiervezels die verdikken. ATP
vermeerdert met 18%, CP met 22% en het energierijke glycogeen met 66%. Hier
vindt men dezelfde effekten als bij snelheidstraining.
3) Bij uithoudingstraining zijn het de trage vezels (ST = Slow Twitch vezels)
die verdikken. Ook ontstaan er meer aerobe enzymen, meer mitochondriën en meer
myoglobine in de spiervezels. Het glycogeen vermeerdert zelfs 3 maal. De
triglyceriden (vetzuren) met 85% en de energierijke fosfaten (ATP + CP) met 20%
tot 25%. Zeer belangrijk is de toename van het aantal capillairen in het
bindweefsel rond de spiervezels. Zo kan er meer bloed (en ook zuurstof) naar de
spiercellen getransporteerd worden. De mitochondrien worden groter waardoor hun
oppervlakte vergroot en er nog beter energietransport kan gebeuren door de
enzymes.
Bij deze 3 soorten trainingen zijn er ook wijzigingen in de structuur van de eindplaten van de actieve vezels (deze bevatten meer blaasjes met neurotransmitters) en een betere geleiding van de zenuwprikkels.
4) Bij lenigheidstraining met statische rekkingsoefeningen (zonder veren) ontstaan er meer sarcomeren in de myofibrillen waardoor de spiervezels langer worden. Ook de pijntolerantie wordt groter waardoor de tonus van spier vermindert. Daardoor worden de spieren meer soepel en verhoogt de lenigheid.
Besluit : deze lokale aanpassingen zijn zeer belangrijk voor het verbeteren van de prestatie. Bij iemand die goed getraind is kunnen hart en longen meer zuurstof naar de spieren brengen, maar als er in de spieren onvoldoende enzymes aanwezig zijn, kunnen de metabolische reacties niet vlot verlopen. Dan wordt er onvoldoende energie geleverd. Bijvoorbeeld : een wielrenner die een marathon wil gaan lopen kan wel veel zuurstof naar zijn spieren brengen, maar hij kan die zuurstof in zijn spieren niet snel verwerken omdat de specifieke spiervezels voor het lopen daar niet voor getraind zijn.
AANPASSINGEN IN DE STELSELS :
A) AANPASSINGEN IN DE BLOEDSOMLOOP